Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSHE:2026:881

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
24/523 tot en met 24/526
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27e AWRArt. 8:75 AwbArt. 5.3 Regeling zorgverzekeringArt. 5.2 Regeling zorgverzekeringWet op de loonbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen navorderingsaanslagen en boeten inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen

Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen IB/PVV en Zvw opgelegd voor 2014 en 2015, inclusief boeten en belastingrente, wegens niet aangegeven inkomsten uit het organiseren van voetbalweddenschappen. Hij gaf wel loon uit een schijndienstbetrekking op. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank werd het beroep deels gegrond verklaard, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het hof.

Het hof oordeelt dat de inspecteur het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel niet heeft geschonden. De toegepaste winstverdeling van 50/50 tussen belanghebbende en een medeverdachte is redelijk, en de inspecteur heeft voldoende rekening gehouden met het opgegeven loon en ingehouden loonheffingen. Wel is de periode van acht dagen die als speelweek voor extrapolatie is gebruikt niet redelijk, waardoor het belastbaar inkomen uit werk en woning voor beide jaren wordt verminderd met 12,5%.

De boeten worden dienovereenkomstig verminderd en gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de navorderingsaanslagen, belastingrente en boeten.

Uitkomst: Het hof vermindert de navorderingsaanslagen en boeten voor 2014 en 2015 en veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 24/523 tot en met 24/526
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
wonend in [woonplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 14 maart 2024, nummers BRE 22/3908 tot en met 22/3911, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De inspecteur heeft over de jaren 2014 en 2015 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd (hierna gezamenlijk: de navorderingsaanslagen). Tevens is telkens bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en zijn voor de IB/PVV bij beschikkingen boeten opgelegd.
1.2.
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard met betrekking tot de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014, IB/PVV 2015 en Zvw 2015 en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw 2014 ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
De zitting heeft plaatsgevonden op 6 februari 2026 in ’s-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen: [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
1.6.
Belanghebbende heeft tijdens de zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.7.
Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.8.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2.Feiten

2.1.
In februari 2014 is door onder meer de Duitse justitie een strafrechtelijk onderzoek gestart naar aanleiding van berichten over matchfixing en het gokken op voetbalwedstrijden. Volgens de Duitse justitie was een van de hoofdrolspelers daarin [naam 1] (hierna: [naam 1] ). Bij nader onderzoek door de FIOD naar [naam 1] is onder meer belanghebbende als verdachte naar voren gekomen. Op 7 april 2014 heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven de communicatie via de mobiele telefoon van belanghebbende op te nemen voor een periode van maximaal twee weken. Uit die opnames bleek dat belanghebbende bijna dagelijks contact had met [naam 1] en door middel van sms-berichten weddenschappen aannam en wegzette bij [naam 1] .
2.2.
Belanghebbende is op 15 februari 2015 gearresteerd. Het dossier bevat verslagen van de verhoren van belanghebbende die zijn afgenomen in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In die verslagen staat onder meer, verkort weergegeven, dat belanghebbende heeft verklaard dat hij de quoteringen voor de weddenschappen kreeg van [naam 1] en dat hij vervolgens ongeveer 12 of 13 personen daarover per sms informeerde, dat als spelers verloren de winst 50/50 werd verdeeld tussen hem en [naam 1] en dat hij en [naam 1] zich soms zelf – al dan niet gezamenlijk – indekten tegen verlies door een aangenomen weddenschap zelf weer weg te zetten tegen een hogere quotering. De inleg van de spelers ging altijd contant. Belanghebbende betaalde de weddenschappen ook contant uit. Het aandeel van [naam 1] in de gemaakte winsten betaalde hij ook in contanten. Het wedden per sms vond plaats in alle weken dat er gevoetbald werd, dus niet in de zomer- en winterstop, maar wel als er dan een WK of EK was, aldus belanghebbende. Belanghebbende gokte ook veel zelf. Zijn inkomsten bestonden uit niets anders dan gokken.
2.3.
Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 geen inkomsten uit het organiseren van weddenschappen aangegeven. Wel heeft hij aangegeven een bedrag aan loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] BV ( [bedrijf 1] ) van € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015, met daarop ingehouden bedragen aan loonheffing van € 12.961 respectievelijk € 964. De aanslagen IB/PVV en Zvw voor deze jaren zijn opgelegd conform de aangiften.
2.4.
De aandelen in [bedrijf 1] waren eigendom van [bedrijf 2] BV, waarvan [naam 2] alle aandelen hield. [bedrijf 1] heeft auto’s geleased voor belanghebbende: in 2014 Audi’s en in 2015 een Porsche. Vast staat dat belanghebbende nooit bij [bedrijf 1] in dienstbetrekking is geweest maar dat sprake was van een schijndienstbetrekking en dat belanghebbende de bedragen aan ingehouden en afgedragen loonheffing en de kosten van de auto’s zelf heeft betaald. Aan de Audi-dealer is voor de auto’s in 2014 € 10.928,02 en in 2015 € 2.613,81 door hetzij belanghebbende, hetzij [bedrijf 1] betaald. Uit een onderzoek bij de Porsche-dealer is gebleken dat door [bedrijf 2] BV in 2014 een bedrag van € 5.000 en in 2015 een bedrag van € 39.840 voor de aanschaf van de Porsche is betaald.
2.5.
Belanghebbende heeft in november 2014 in drie tranches een bedrag van € 72.000 in contanten gestort bij [Casino] . Bij de melding ongebruikelijke financiële transacties door [Casino] is aangetekend dat niet bekend is of belanghebbende heeft gespeeld.
2.6.
De FIOD heeft aan de hand van de in de periode 7 tot en met 14 april 2014 (acht dagen) opgenomen sms-berichten van belanghebbende een overzicht gemaakt van de in die periode door hem afgesloten weddenschappen en de resultaten daarvan. Dat resulteert in een totale inzet van € 43.310 en een totaal uit te keren bedrag van € 31.604, en dus in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft het door belanghebbende genoten voordeel uit de weddenschappen voor 2014 berekend op 50 procent van 42 weken (38 weken en vier weken WK) maal € 11.706 = € 241.626, en voor 2015 op 50 procent van zes speelweken maal € 11.706 = € 34.518. Die bedragen zijn bij de navorderingsaanslagen belast als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden. Bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen is geen loon uit dienstbetrekking bij [bedrijf 1] in aanmerking genomen en is de ingehouden loonheffing niet verrekend.
2.7.
Bij onherroepelijke uitspraak van 19 februari 2024 van het gerechtshof Den Haag is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld wegens deelname aan een criminele organisatie, met (onder meer) [naam 1] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het zonder vergunning gelegenheid bieden tot deelname aan kansspelen en belastingfraude, en wegens valsheid in geschrifte. De belastingfraude betreft het niet aangeven en voldoen van kansspelbelasting. De valsheid in geschrifte betreft de schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] .
2.8.
De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 572.012. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 237.638 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 79.574. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 138.969 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 58.512. De navorderingsaanslag Zvw over het jaar 2014 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 51.414. Het bezwaar tegen deze aanslag is ongegrond verklaard.
2.9.
De navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2015 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 71.062. Bij uitspraak op bezwaar is deze aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.594. De belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. De bij deze aanslag opgelegde boete van € 15.064 is bij uitspraak op bezwaar verminderd tot € 4.939. De navorderingsaanslag premie Zvw over het jaar 2015 is vastgesteld naar een bijdrage-inkomen van € 48.762. Na bezwaar is de aanslag verminderd tot een naar een bijdrage-inkomen van € 34.518.
2.10.
Bij de navorderingsaanslagen IB/PVV zijn vergrijpboeten opgelegd van 50 procent van de nagevorderde belasting wegens het opzettelijk doen van onjuiste aangiften. De boete voor het jaar 2014 is aangekondigd bij brief van 12 mei 2020. De boete voor het jaar 2015 is aangekondigd bij brief van 17 september 2021.
2.11.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank.
Het dictum van de uitspraak van de rechtbank luidt:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond voor zover het de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 betreft;
- vernietigt de uitspraak op het bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
- vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV over het jaar 2014 tot een naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van deze aanslag;
- vermindert de boeten tot € 49.735 voor het jaar 2014 en € 4.445 voor het jaar 2015.
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.810;
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 190;
- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende van € 1.750 te betalen op een bankrekening op naam van gemachtigde; en
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50 aan belanghebbende moet vergoeden.”

3.Geschil en conclusies van partijen

3.1.
Het geschil betreft het antwoord op de vragen of de inspecteur bij het doen van uitspraken op bezwaar het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft geschonden en of de navorderingsaanslagen, renten en boeten, al dan niet na vermindering, te hoog zijn. Met betrekking tot het laatste is in het bijzonder in geschil of:
  • De inspecteur in het kader van de omkering en verzwaring van de bewijslast een redelijke schatting heeft gemaakt; en
  • Belanghebbende heeft aangetoond dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld.
Ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn stellingen over schending van het ne-bis-in-idem-beginsel en het una-via-beginsel en het belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang over het jaar 2014 ingetrokken.
Verder is niet (meer) in geschil dat is voldaan aan de vereisten om te komen tot omkering en verzwaring van de bewijslast. [1]
3.2.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar, vernietiging van de navorderingsaanslagen, vernietiging van de boeten en vergoeding van proceskosten. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4.Gronden

Ten aanzien van het geschil
Schending zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel
4.1.
Belanghebbende stelt dat de bestreden uitspraken op bezwaar zijn gebaseerd op onjuiste feiten, dat deze onzorgvuldig zijn voorbereid en onvoldoende zijn gemotiveerd. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en heeft de verkeerde vaststelling van de feiten door de inspecteur gevolgd zonder afdoende motivering, aldus belanghebbende.
4.2.
Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat hij met de hiervoor genoemde stellingen heeft willen betogen dat sprake is van schending van zowel het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. Naar het oordeel van het hof zijn deze beginselen niet geschonden. De uitspraken op bezwaar zijn voldoende gemotiveerd, aangezien de bezwaargronden van belanghebbende door de inspecteur worden benoemd en gemotiveerd worden weerlegd. Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat de inhoudelijke oordelen die enerzijds zijn neergelegd in de uitspraken op bezwaar en anderzijds in de uitspraak van de rechtbank, alsmede de feiten waarop die oordelen zijn gebaseerd, onjuist zijn, brengt dit niet zonder meer met zich dat sprake is van schending van het zorgvuldigheids- of motiveringsbeginsel. Tegen deze inhoudelijke oordelen en feitenvaststellingen staan rechtsmiddelen open die belanghebbende als zodanig ook heeft gebruikt. Voor zover belanghebbende heeft gemeend dat sprake is van een schending van enig ander beginsel van behoorlijk bestuur, oordeelt het hof dat belanghebbende onvoldoende heeft gemotiveerd waaruit de schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aannemelijk wordt.
Toepassing omkering en verzwaring van de bewijslast: redelijke schatting en hoogte aanslagen
4.3.
Niet in geschil is dat belanghebbende niet de vereiste aangifte heeft gedaan in de zin van artikel 27e, lid 1, AWR en dat daardoor omkering en verzwaring van de bewijslast moet worden toegepast. Dit laat onverlet dat de inspecteur bij het vaststellen van de navorderingsaanslagen heeft moeten uitgaan van een redelijke schatting.
4.4.
In het kader van deze redelijke schatting heeft belanghebbende gesteld dat de winstverdeling die door de inspecteur is toegepast tussen belanghebbende en [naam 1] onjuist is. Volgens belanghebbende droeg hij minder risico dan door de inspecteur is aangenomen, waardoor hem ook minder winst toekwam.
Daarnaast heeft belanghebbende gesteld dat de extrapolatie die de inspecteur heeft toegepast voor het bepalen van het belastbaar inkomen uit werk en woning onjuist dan wel onnauwkeurig is. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat de periode die als maatstaf voor extrapolatie is genomen, namelijk 7 tot en met 14 april 2014, niet representatief is. In die periode zijn er namelijk veel wedstrijden, die ook nog eens belangrijk en zelfs beslissend zijn, waardoor het gebruikelijk is dat er in die periode meer is gegokt. Daar komt bij dat de genoemde periode bestaat uit acht dagen, terwijl een week uit zeven dagen bestaat. De aan die periode toegerekende winst is dan ook te hoog vastgesteld om als weekwinst te dienen en zou daarvoor met 12,5% moeten worden verlaagd.
Ten slotte heeft belanghebbende betoogd dat bij de redelijke schatting geen of onvoldoende rekening is gehouden met het reeds in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.
4.5.
De inspecteur heeft gesteld dat hetgeen belanghebbende aanvoert over de winstverdeling niet geloofwaardig is, onder meer omdat het in tegenspraak is met meerdere verklaringen van belanghebbende tijdens het strafrechtelijk proces, maar ook omdat het niet in overeenstemming is met het uitgavenpatroon van belanghebbende.
Daarnaast heeft de inspecteur ten aanzien van de toegepaste extrapolatie gesteld dat deze juist is, dat hij de stellingen van belanghebbende op dit punt betwist en dat hij het eens is met de uitspraak van de rechtbank. Meer in het bijzonder heeft de inspecteur gesteld dat de periode van 7 tot en met 14 april 2014 weliswaar acht dagen omvat, maar dat dit een zogeheten speelweek betreft en geen week zoals in het normale spraakgebruik.
Ten aanzien van het in de aangiften IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 (onjuist) aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen heeft de inspecteur gesteld dat dit reeds (voldoende) is verdisconteerd in de redelijke schatting.
4.6.
Het hof dient te beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schatting van het bedrag van de navorderingsaanslagen redelijk is. Het vereiste van een redelijke schatting strekt, in de context van de (omkering en) verzwaring van de bewijslast, ertoe te voorkomen dat een aanslag naar willekeur wordt vastgesteld door de inspecteur. [2] In dat kader rust op de inspecteur de taak zijn schatting van het inkomen zodanig met feitelijke stellingen te onderbouwen dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan; de inspecteur moet aanknopingspunten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn schatting redelijk (niet willekeurig) is. [3] Belanghebbende kan op zich volstaan met een betwisting van de redelijkheid. De beoordeling of een schatting van de inspecteur redelijk (niet willekeurig) is, is niet streng. [4] Voor de beoordeling of de schatting redelijk is, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van een aanslag en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat de belastingplichtige in staat is opening van zaken te geven. [5]
4.7.
Ten aanzien van de winstverdeling van 50/50 die is toegepast door de inspecteur is het hof van oordeel dat deze redelijk is. Weliswaar heeft belanghebbende betoogd dat hem een kleiner winstaandeel toekwam, maar hij heeft hiervoor, zoals ook door gemachtigde ter zitting erkend, geen feitelijk bewijs aangedragen. De verklaringen ter zitting van gemachtigde dat hij weet hoe het eraan toegaat in de gokindustrie en dat zijn stellingen in lijn liggen met die ervaringen vormen geen concreet aanknopingspunt om te twijfelen aan de redelijkheid van de door de inspecteur toegepaste schatting. Dit te meer omdat belanghebbende zelf tijdens verhoren in het kader van het strafrechtelijk onderzoek diverse malen heeft verklaard dat hij alles samen deed met [naam 1] en dat “de winst 50/50 ging”.
4.8.
Met betrekking tot de representativiteit van de periode die voor extrapolatie is gebruikt, heeft belanghebbende gesteld dat het gebruikelijk is dat in die periode meer wordt gegokt dan in andere perioden. Belanghebbende heeft dit slechts als blote stelling geponeerd en dit geeft daarom geen concrete aanleiding om te twijfelen aan de redelijkheid van de schatting.
4.9.
In het kader van de duur van de voor de extrapolatie gebruikte periode, namelijk acht dagen, heeft de inspecteur erkend dat dit geen week betreft zoals in het normale spraakgebruik (hierna: een normale week), maar dat het gaat om een zogeheten speelweek. Hij verwijst hiervoor naar een document dat in het dossier zit, met als titel ‘Overzicht vermoedelijke gok-inzetten per sms bij [belanghebbende] – 7 t/m 15 april 2014’. Uit dit document volgt dat in die periode in totaal € 43.310 is ingezet bij belanghebbende en in totaal € 31.604 is uitgekeerd aan de deelnemers, wat resulteert in een winst van € 11.706. De inspecteur heeft voor 2014 50 procent van deze winst voor 42 weken (38 weken en vier weken WK) toegerekend aan belanghebbende en voor 2015 50 procent van zes weken. In hoeverre een speelweek afwijkt van een normale week en hoe deze afwijkingen in de extrapolatie zijn meegenomen en verwerkt, heeft de inspecteur desgevraagd ter zitting niet kunnen verklaren. Daarbij merkt het hof onder meer op dat in het hiervoor aangehaalde overzicht bepaalde voetbalclubs meerdere malen zijn vermeld in dezelfde speelweek en dat er voetbalcompetities uit meerdere landen op staan vermeld. Het lijkt er dan ook op dat dit geen afgeronde speelronde is, maar dat het juist een willekeurige periode betreft van acht dagen. Aangezien de inspecteur de redelijke schatting op dit punt niet met feitelijke stellingen heeft onderbouwd en niet duidelijk is wat de aanknopingspunten in dit kader zijn geweest, is de schatting naar het oordeel van het hof op dit punt niet redelijk. Het hof zal daarom, zoals ook betoogd door belanghebbende, de winst na extrapolatie met 1/8ste deel, zijnde 12,5%, verminderen.
4.10.
Belanghebbende heeft voorts betoogd dat de inspecteur bij het maken van de schatting geen of onvoldoende rekening heeft gehouden met het reeds door belanghebbende aangegeven loon uit dienstbetrekking en de daarop ingehouden loonheffingen.
4.11.
Het hof overweegt hierover het volgende. In het kader van zijn schijndienstbetrekking bij [bedrijf 1] heeft belanghebbende € 41.914 voor 2014 en € 3.214 voor 2015 als loon uit dienstbetrekking aangegeven. Uit de zelf door belanghebbende ingediende aangiften IB/PVV voor die jaren leidt het hof af dat het gaat om bedragen inclusief reeds ingehouden loonheffing (€ 12.961 voor 2014 en € 964 voor 2015). Daarnaast heeft de inspecteur in de uitspraak op bezwaar de volgende cijfermatige onderbouwing opgenomen:
“2014 (in €)
2015 (in €)
Inkomen box 1 (DA)
37.926
2.29
Af: Loon [bedrijf 1] B.V.
41.914
3.214
Bij: SMS-berichten
241.626
34.518
Vast te stellen inkomen box 1
237.638
33.594”
Hieruit volgt dat de bij de bepaling van het belastbaar inkomen uit box 1 de door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen, inclusief daarover afgedragen loonheffingen, uit dit inkomen zijn verwijderd. In zoverre heeft de inspecteur bij het maken van de schatting rekening gehouden met de eerder door belanghebbende aangegeven loonbestanddelen.
4.12.
Voorzover belanghebbende heeft betoogd dat de loonheffingen die zijn ingehouden en afgedragen in het kader van de schijndienstbetrekking als voorheffing moeten worden verrekend met de te betalen inkomstenbelasting, oordeelt het hof als volgt. Aangezien er een bedrag is ingehouden en afgedragen, terwijl er, zo is niet in geschil, geen sprake is van een dienstbetrekking van belanghebbende in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964, komt dit bedrag niet bij belanghebbende als voorheffing voor verrekening met inkomstenbelasting in aanmerking. In hoeverre dit bedrag door [bedrijf 1] onterecht is afgedragen en of dit bedrag voor terugbetaling aan [bedrijf 1] in aanmerking komt kan in deze procedure, alleen al omdat deze procedure een andere belastingplichtige betreft, niet aan de orde worden gesteld. Het gelijk op dit punt is dus aan de inspecteur.
4.13.
De tussenconclusie is dat de door de inspecteur gemaakte berekening van de navorderingsaanslagen redelijk is, behalve met betrekking tot de periode van acht dagen die als basis voor de extrapolatie is gebruikt.
4.14.
Vervolgens dient beoordeeld te worden of belanghebbende heeft doen blijken dat de schatting, alhoewel deze redelijk is, te hoog is. Belanghebbende heeft niet het van hem vereiste bewijs geleverd, aangezien hij de onjuistheid van de schatting en de veronderstellingen die aan deze schatting ten grondslag liggen niet heeft aangetoond. Voorzover belanghebbende stellingen heeft ingenomen waaruit volgens hem volgt dat de schatting te hoog is, zijn deze stellingen niet met feiten of stukken onderbouwd.
4.15.
Het voorgaande leidt ertoe dat het belastbaar inkomen uit werk en woning voor 2014 zal worden vastgesteld op € 207.434 en voor 2015 op € 29.279. Hieraan ligt de volgende berekening ten grondslag (vergelijk de hiervoor in 4.11 weergegeven berekening):
“2014 (in €)
2015 (in €)
Inkomen box 1 (DA)
37.926
2.29
Af: Loon [bedrijf 1] B.V.
41.914
3.214
Bij: SMS-berichten
241.626
34.518
Af: Vermindering SMS-berichten met 12,5%
30.204
4.315
Vast te stellen inkomen box 1
207.434
29.279
Dit betekent ook dat de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 verminderd dient te worden naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279. De navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2014 blijft in stand, aangezien deze is opgelegd naar het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw in 2014, namelijk € 51.414. [6]
Belastingrente
4.16.
De hoger beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Aangezien de met de belastingrentebeschikkingen samenhangende navorderingsaanslagen worden verminderd, zal het hof de bedragen van de belastingrente dienovereenkomstig verminderen. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Het hof ziet geen aanleiding om voor het overige af te wijken van de belastingrentebeschikkingen.
De boeten
4.17.
Het hof is van oordeel dat de inspecteur heeft bewezen dat belanghebbende opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan door geen inkomsten uit de weddenschappen op te geven, en dat boeten van 50% van de daarvoor nagevorderde belasting gerechtvaardigd zijn. Aangezien de nagevorderde belasting voor zowel 2014 als 2015 te hoog is vastgesteld door de inspecteur en moet worden verminderd, zal het hof de boeten dienovereenkomstig verminderen. Wegens de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting heeft de rechtbank de boeten gematigd. Voor het jaar 2014 ging het om een matiging van 15% en voor het jaar 2015 ging het om een matiging van 10%. Het hof sluit zich aan bij deze matigingen en acht de boeten – dus na vermindering wegens vermindering van de boetegrondslagen en wegens overschrijding van de redelijke termijn voor berechting – gelet op de omstandigheden van het geval passend en geboden. Zoals hiervoor aangegeven zijn de grondslagen van de boeten de respectievelijke bedragen aan verschuldigde belasting. Deze bedragen zijn wegens het niet doen van de vereiste aangifte komen vast te staan met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. Deze omstandigheid is voor het hof, gelet op de hoogte van de door het hof passend en geboden geachte boeten, in dit geval geen aanleiding om die boeten nog verder te matigen. [7]
Tussenconclusie
4.18.
De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.19.
Aangezien het hoger beroep gegrond wordt verklaard, dient de inspecteur aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 138 te vergoeden.
Ten aanzien van de proceskosten
4.20.
Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 2 (punten) [8] x € 934 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.868.
4.21.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
4.22.
De inspecteur dient de toe te kennen vergoeding aan de rechtsbijstandverlener te betalen, omdat aan belanghebbende een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand. [9]

5.Beslissing

Het hof:
  • verklaart het hoger beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar alleen voor de beslissingen over de hoogte van de navorderingsaanslagen, de beschikkingen belastingrente en de boetebeschikkingen;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2015, behalve voor zover deze betrekking heeft op de kostenvergoeding;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar tegen de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2014 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 207.434 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 50.000 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;
  • vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.279 met behoud van de overige elementen van de navorderingsaanslag;
  • vermindert de navorderingsaanslag Zvw voor het jaar 2015 naar een gebaseerd op een bijdrage-inkomen van € 29.279;
  • vermindert de beschikkingen belastingrente evenredig;
  • vermindert de grondslag van de boeten dienovereenkomstig;
  • vermindert de aldus berekende boeten voor 2014 en 2015 met respectievelijk 15% en 10% in verband met de door de rechtbank vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn;
  • bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht voor de behandeling van het hoger beroep bij het hof van € 138 vergoedt;
  • veroordeelt de inspecteur in de kosten van het geding bij het hof van € 1.868;
  • bepaalt dat de inspecteur de kosten van het geding betaalt aan de rechtsbijstandverlener.
De uitspraak is gedaan door W.W. Monteiro, voorzitter, T.A. Gladpootjes en E.P.A. Brakeboer, in tegenwoordigheid van A. Muller, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
A. Muller W.W. Monteiro
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
(Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
Het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
de naam en het adres van de indiener;
de dagtekening;
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Artikel 27e, lid 1, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).
2.Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 17 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1311.
3.Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483 en Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
4.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1086.
5.Hoge Raad 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324.
6.Artikel 5.3, lid 1, in samenhang met artikel 5.2, lid 1, Regeling zorgverzekering (tekst 2014).
7.Hoge Raad 18 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1962, r.o. 3.6.8.
8.1 punt voor hogerberoepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.
9.Artikel 8:75, lid 2, Algemene wet bestuursrecht.