Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 8 december 1987 betreffende na te melden aan
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, bestaande uit de landelijke stichtingen [A], [C] en [D], werd geconfronteerd met een naheffingsaanslag omzetbelasting wegens dienstverlening aan aangesloten plaatselijke instellingen. Het hof oordeelde dat deze instellingen deel uitmaakten van de fiscale eenheid vanwege nauwe organisatorische en financiële verwevenheid. De staatssecretaris stelde cassatie in en betwistte het oordeel over de verwevenheid.
De Hoge Raad stelde vast dat voor financiële verwevenheid vereist is dat het ene lichaam voor meer dan 50% deelneemt in het bedrijfskapitaal van het andere of een vergelijkbaar risico loopt. Het meebeslissen over financiële beslissingen zonder risico lopen is onvoldoende. Ook organisatorische verwevenheid vereist een gezamenlijke of ondergeschikte leiding, wat in deze zaak niet voldoende was aangetoond.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof en verwees de zaak terug naar het gerechtshof voor herbeoordeling met inachtneming van deze maatstaven. De naheffingsaanslag dient te vervallen indien de fiscale eenheid niet juist is vastgesteld.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling van de fiscale eenheid met inachtneming van de juiste criteria.