Uitspraak
[X] B.V.te
[Z]tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te 's-Hertogenboschvan 7 februari 1991 betreffende de haar voor het jaar 1985 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
Hoge Raad
In deze zaak stond centraal of onbetaald gebleven schulden van een failliete dochtermaatschappij, die deel uitmaakt van een fiscale eenheid, tot de winst van de moedermaatschappij moeten worden gerekend voor de vennootschapsbelasting over het jaar 1985. De dochtermaatschappij was failliet verklaard en het faillissement was beëindigd door het verbindend worden van de enige uitdelingslijst, waarbij een aanzienlijk bedrag aan schulden onbetaald bleef.
De rechtbank en het hof hadden geoordeeld dat deze onbetaald gebleven schulden tot de winst van de moedermaatschappij behoren, tenzij een specifieke vrijstelling van toepassing is. De moedermaatschappij stelde in cassatie dat deze vrijval van schulden niet tot de winst behoort, en dat er sprake was van het prijsgeven van niet voor verwezenlijking vatbare rechten door schuldeisers, waardoor een vrijstelling zou moeten gelden.
De Hoge Raad verwierp deze argumenten. De vrijval van onbetaald gebleven schulden behoort volgens de Hoge Raad tot de voordelen uit onderneming en valt onder de fiscale winst. Bovendien oordeelde de Hoge Raad dat het faillissement en het verbindend worden van de uitdelingslijst niet gelijk staan aan het prijsgeven van rechten door schuldeisers, maar eerder tot het teloorgaan van die rechten leiden.
Het beroep in cassatie werd daarom verworpen en het arrest van het hof bevestigd. Hiermee is duidelijkheid verschaft over de fiscale behandeling van onbetaald gebleven schulden binnen een fiscale eenheid na faillissement van een dochtermaatschappij.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd dat onbetaald gebleven schulden tot de winst van de moedermaatschappij behoren.