ECLI:NL:HR:1996:AA1878
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Bellaart
- De Moor
- Van der Putt-Lauwers
- Van Brunschot
- Rechtspraak.nl
Vaststelling waarde ondernemingsvermogen bij staking van onderneming met gesplitst gebruik onroerend goed
Belanghebbende exploiteerde sinds 1976 een cafetaria op de begane grond en eerste verdieping van twee panden, terwijl de bovenverdiepingen als woning werden gebruikt. Aanvankelijk werd 60% van de waarde van de panden toegerekend aan het ondernemingsvermogen en 40% aan het privévermogen. Na beëindiging van de bedrijfsuitoefening en overdracht van het bedrijf in 1989, werden de panden volledig tot het privévermogen gerekend. De Inspecteur stelde dat de onttrekking aan het ondernemingsvermogen moest worden vastgesteld op een hogere waarde dan belanghebbende had berekend, omdat de waardeontwikkeling van bedrijfspanden en woonruimte sinds 1976 ongelijk was verlopen.
Het Hof Amsterdam stelde zich op het standpunt dat de oorspronkelijke verdeling van 60/40 redelijk was en dat de Inspecteur daaraan gebonden was bij de berekening van de stakingswinst. De Hoge Raad oordeelde echter dat de waarde van het ondernemingsvermogen bij staking op de werkelijke waarde in het economische verkeer moet worden vastgesteld en dat de waardering op basis van de verhouding bij verkrijging niet onveranderlijk is. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het Hof en verwees de zaak voor nieuwe behandeling.
De Hoge Raad bevestigde dat een ondernemer binnen redelijke grenzen mag kiezen welk deel van een onroerend goed tot het ondernemingsvermogen behoort, maar dat de waarde van dat deel bij staking moet worden vastgesteld op de actuele marktwaarde. De proceskostenveroordeling van het Hof werd eveneens vernietigd. Het arrest werd uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van vice-president Jansen op 29 mei 1996.
Uitkomst: Het arrest van het Hof Amsterdam wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage voor herbeoordeling met inachtneming van het arrest.