ECLI:NL:HR:1996:AA1911
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer C.H.M. Jansen
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dubbele belastingvermijding bij arbeidsbeloning in internationale context
Belanghebbende, woonachtig in Nederland en directeur bij E B.V., maakte bezwaar tegen een aanslag inkomstenbelasting over 1991. E B.V. is moedermaatschappij van Europese werkmaatschappijen en factureert deze via service-agreements voor diensten die zij levert. Belanghebbende verrichtte werkzaamheden voor werkmaatschappijen in Engeland en Spanje, waarbij hij daar enkele dagen verbleef.
Het geschil betrof de toepassing van belastingverdragen tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk en Spanje, die bepalen dat arbeidsbeloning voor werkzaamheden in de andere staat slechts in Nederland belastbaar is als aan cumulatieve voorwaarden wordt voldaan, waaronder dat het loon betaald wordt door of namens een werkgever die geen inwoner is van die andere staat.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de vergoeding die de buitenlandse werkmaatschappijen aan E B.V. betaalden onvoldoende direct verband hield met de werkzaamheden van belanghebbende, zodat het loon niet gedeeltelijk door of namens die werkmaatschappijen werd betaald. Het beroep in cassatie werd verworpen.
De Hoge Raad wees proceskostenveroordeling af en stelde het arrest op 19 juni 1996 in het openbaar vast.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de aanslag inkomstenbelasting wordt gehandhaafd.