ECLI:NL:PHR:2001:ZC8022
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over belastingheffing bij internationale terbeschikkingstelling van arbeidskrachten tussen Nederland en Zwitserland
De belanghebbende werd door zijn werkgever A NV ter beschikking gesteld aan B AG, een Zwitserse vennootschap, waar hij in 1995 werkzaamheden verrichtte. Het geschil betrof de vraag of de loonbelasting over het deel van het loon dat toe te rekenen is aan de werkzaamheden in Zwitserland in Nederland of Zwitserland moest worden geheven op grond van het belastingverdrag tussen beide landen.
De inspecteur weigerde aftrek ter voorkoming van dubbele belasting, hetgeen door het Hof Leeuwarden werd bevestigd. Het hof oordeelde dat A NV als enige werkgever gold en dat de belanghebbende zijn werkzaamheden voor rekening van A NV verrichtte.
De belanghebbende stelde cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad analyseerde het begrip 'werkgever' in het belastingverdrag en het OESO-Modelverdrag, waarbij werd vastgesteld dat het Nederlandse en Zwitserse civiele recht A NV als werkgever aanmerken. Echter, de Hoge Raad benadrukte dat voor toepassing van het verdrag ook moet worden beoordeeld voor wiens rekening de werkzaamheden zijn verricht, waarbij het hof een onjuiste rechtsopvatting hanteerde door alleen te kijken naar wie de loonkosten droeg.
De Hoge Raad oordeelde dat de vraag of de werkzaamheden in Zwitserland voor rekening van A NV zijn verricht een feitelijke beoordeling vergt die het hof niet juist heeft uitgevoerd. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling. Dit arrest verduidelijkt de interpretatie van het begrip werkgever en de toedeling van heffingsrechten bij internationale uitzending van werknemers.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor nadere feitenbeoordeling over voor wiens rekening de werkzaamheden zijn verricht.