ECLI:NL:HR:1997:AA2127
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Urlings
- raadsheer Zuurmond
- raadsheer Fleers
- raadsheer Pos
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsverhouding bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1983
Aan X is voor het jaar 1983 aanvankelijk een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 57.484,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van ƒ 115.409,-- en een verhoging van 100%, die later deels werd kwijtgescholden. X ging in beroep tegen deze aanslag en de kwijtscheldingsbesluiten. Na het overlijden van X zetten zijn erfgenamen de procedure voort. Het Hof Amsterdam verminderde de navorderingsaanslag tot een aanslag gebaseerd op een belastbaar inkomen van ƒ 86.896,-- zonder verhoging.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de erfgenamen verworpen. Het Hof had geoordeeld dat tussen particuliere beleggers en de CDK-bank een rechtsverhouding bestond waarbij CDK-bank na twee jaar per spaarbiljet ƒ 10.000,-- moest uitbetalen aan de belegger, die daarvoor een lager bedrag aan B BV had betaald. Het verschil werd gezien als genoten rente. Dit oordeel was gebaseerd op feiten die niet door de belanghebbenden waren weerlegd, waaronder het gebruikelijke karakter van rente-incasso via B BV en de wetenschap van CDK-bank hierover.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht aannam dat CDK-bank wist dat de rente vrijwel direct na uitgifte moest worden betaald en dat de middelen tegen dit oordeel faalden wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Verder waren er geen gronden voor cassatie, mede gelet op artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het Hof over de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1983.