ECLI:NL:HR:2000:AA4749
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak Hof over verrekening verlies dochtervennootschap Argentinië
Belanghebbende, een Nederlandse besloten vennootschap, richtte in 1992 een dochtervennootschap op in Argentinië die over haar eerste boekjaar een verlies leed. Om te voorkomen dat de dochtervennootschap volgens Argentijnse wetgeving zou worden ontbonden wegens negatief eigen vermogen, werd een vordering van belanghebbende op de dochter omgezet in een vordering onder opschortende voorwaarden. Belanghebbende waardeerde deze vordering ultimo 1993 volledig af.
De Inspecteur stelde de aanslag vennootschapsbelasting 1990 vast met een vermindering wegens verrekening van het verlies van de dochtervennootschap. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze aanslag, dat werd afgewezen. Het Hof bevestigde deze beslissing, waarbij het oordeelde dat de vorderingen waren kwijtgescholden en herleefden door een vermeende wijziging van Argentijnse vennootschapsrechtelijke regels, hetgeen de Hoge Raad onbegrijpelijk achtte.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de rechtshandelingen van 30 juli 1993 een prijsgeven van vorderingen vormden als bedoeld in artikel 13b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De vordering was niet definitief prijsgegeven, maar slechts onder opschortende voorwaarden omgezet, waardoor geen definitieve aftrekpost ontstond. Tevens nam de Hoge Raad kennis van pleitnota’s die het Hof niet in de uitspraak had verwerkt en concludeerde dat het Hof het subsidiaire standpunt van belanghebbende onjuist had weergegeven. De uitspraak van het Hof werd vernietigd en de zaak verwezen naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor herbeoordeling.