ECLI:NL:HR:2000:AA6532
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- P. Neleman
- C.H.M. Jansen
- J.B. Fleers
- P.C. Kop
- O. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bewijslevering bij teruggeleiding minderjarige kinderen op grond van Haags Kinderontvoeringsverdrag
In deze zaak verzochten de Centrale Autoriteit en de vader de teruggeleiding van drie minderjarige kinderen naar de Verenigde Staten, waar zij hun gewone verblijfplaats hadden. De moeder wilde met de kinderen in Nederland blijven en bestreed het verzoek. De rechtbank wees het verzoek toe en belastte een voogdij-instelling met de voorlopige voogdij en de teruggeleiding van de kinderen. Het hof vernietigde deze beschikking en oordeelde dat de moeder in het bewijs was geslaagd dat de vader toestemming had gegeven voor het verblijf van de kinderen in Nederland.
De moeder voerde aan dat in een spoedprocedure als deze geen bewijs door getuigen mocht worden toegelaten, maar de Hoge Raad oordeelde dat het Verdrag en de Uitvoeringswet bewijslevering door getuigen niet uitsluiten. De bewijslast rust op degene die zich tegen terugkeer verzet, en het hof mocht de moeder tot bewijslevering toelaten. De waardering van het bewijs is aan het hof en kan in cassatie niet worden getoetst.
Het cassatieberoep faalt dan ook en het incidentele beroep van de moeder behoeft geen behandeling. De Hoge Raad bevestigt hiermee de mogelijkheid tot bewijslevering in procedures op grond van het Haags Kinderontvoeringsverdrag en handhaaft het oordeel dat de vader toestemming gaf voor het verblijf van de kinderen in Nederland.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de moeder geslaagd is in het bewijs dat de vader toestemming gaf voor het verblijf van de kinderen in Nederland.