ECLI:NL:HR:2001:AB0740
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing Wet toezicht kredietwezen 1992 op bedrijfsmatig aantrekken van gelden
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage waarin de verdachte werd veroordeeld voor overtreding van artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992 (Wtk 1992). De tenlastelegging hield in dat de verdachte in de periode van mei 1995 tot juli 1996 geregeld en stelselmatig gelden van het publiek had aangetrokken zonder de vereiste vergunningen.
De verdediging voerde aan dat de Wtk 1992 niet van toepassing was omdat de verdachte de gelden niet had belegd of als krediet had uitgezet, en dat het begrip 'bedrijfsmatig' aldus niet van toepassing was. De Hoge Raad analyseerde de wetsgeschiedenis en de Memorie van Toelichting en concludeerde dat het verbod van artikel 82, eerste lid, Wtk 1992 juist bedoeld is ter bescherming van kleine crediteuren en dat 'bedrijfsmatig' moet worden uitgelegd als 'geregeld en stelselmatig'. Het is niet vereist dat de gelden in de eigen onderneming worden aangewend.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de toepassing van de Wtk 1992 op de gedragingen van de verdachte. Hiermee werd het arrest van het hof bekrachtigd, waarin de verdachte werd veroordeeld tot twee voorwaardelijke geldboetes. Het arrest werd uitgesproken door de strafkamer van de Hoge Raad op 27 maart 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor overtreding van artikel 82, eerste lid, Wtk 1992.