Conclusie
1.Feiten
Gelet op de complexe situatie rond onze verhouding met het WFG hebben wij - na overleg met u - besloten ons correct aan de door het WFG gestelde betaaltermijn te houden.
(...)
Rente: nader overeen te komen."
2.Procesverloop
een en ander met nevenvorderingen.
het besluit tot ontslag van [eiser]
4.1 De omvangrijke cassatiedagvaarding waaiert uit in vijf niet bijzonder heldere onderdelen, die op hun beurt uiteenvallen in talloze subonderdelen, waarin herhaaldelijk (nagenoeg) dezelfde klachten worden geformuleerd. Uit dit alles kunnen twee kernverwijten aan het adres van het Hof worden gedestilleerd: één over het criterium ‘ernstig verwijt’ dat het Hof heeft aangelegd en één over het financieringssysteem van ATAL/STAT en de gevolgen die dat heeft voor de schadevergoedingsvordering van ATAL.
en tevensbewuste roekeloosheid kan inhouden. [17]
verscherpttot de eis van opzet of bewuste roekeloosheid. [19]
geen enkeleaanleiding om de toch al strenge maatstaf van art. 2:9 BW Pro, die meebrengt dat niet spoedig aansprakelijkheid van een bestuurder bestaat, verder te verscherpen, des dat nog minder spoedig aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Integendeel: in het licht van het voorafgaande is juist wenselijk (en m.i. ook nodig) om eerder aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders aan te nemen. [36]
onderdeel 2.1.2,maar hetzelfde lot treft de rechtsklachten verwoord in de
onderdelen 2.1.2-1, 2.1.2-3en
2.1.2-6.Voor zover deze onderdelen nog meer of andere klachten behelzen, komen deze hierna aan de orde.
onderdeel 2.1.2-1opgenomen motiveringsklacht (bladzijde 23 cassatiedagvaarding, vierde alinea) strandt daarom.
,maar niet dat [eiser] op het moment waarop hij de afspraak maakte van dit percentage uitging en uit mocht gaan. Evenmin worden de accountant en de controller genoemd.
onderdeel 2.1.2-5(in feitelijke zin) al begrijpelijk is, behoeft het geen afzonderlijke bespreking omdat het in essentie in herhalingen valt.
onderdeel 2.1.2-6(uitgesmeerd over 4 pagina’s) had het Hof in rov. 3.27 niet tot het oordeel kunnen komen dat [eiser] ten aanzien van de daar geschetste handelwijze (het verstrekken van een risicovolle lening die niet in het belang van ATAL was) een ernstig verwijt valt te maken.
bleekdat sprake was van een lening. Op een dergelijke stelling wordt evenwel geen beroep gedaan en in de – overigens tardieve – stellingen van mr. Keuchenius bij pleidooi in appel blijkt daarvan ook niets. [46] In het licht van de onder 1.9 geciteerde brief kan [eiser] redelijkerwijs zijn handen niet in onschuld wassen door te betogen dat hij het risicovolle karakter van de lening niet kende.
onderdelen 2.1.3-2 en 2.1.3-3bevatten geen nieuwe klachten. Het eerste onderdeel laboreert andermaal aan de misvatting dat de “raad van bestuur” kennis zou hebben genomen van de “risicoloze lening”; zoals al aangegeven blijkt dat uit niets.
onderdeel 2.1.4lijkt te menen, kan rov. 3.26 moeilijk anders begrepen worden dan aldus dat het Hof ervan uitgaat dat het handelen van [eiser] als ernstig verwijtbaar moet worden aangemerkt, tenzij blijkt dat er voor zijn handelen een rechtvaardiging bestond. Het is dan aan [eiser] om dit laatste te stellen en bij betwisting te bewijzen. Dat het Hof gedoeld heeft op de disculpatiemogelijkheid van art. 2:9 tweede Pro volzin BW kan niet worden afgeleid uit (alleen) het gebruik van het woord ‘disculpatie’; het ligt bovendien erg weinig voor de hand. Daarmee faalt ook deze klacht
.
onderdelen 2.2.1 en 2.2.2vertolken geen zelfstandige klachten. Voor zover de hierna te behandelen onderdelen opnieuw de problematiek van het ernstig verwijt aan de orde stellen, ga ik er alleen op in wanneer iets nieuws te berde wordt gebracht.
wellichtnog
een stukjevoor restitutie in aanmerking komt” (cursiveringen toegevoegd). Hetgeen het onderdeel verder te berde brengt is, voor zover al begrijpelijk, irrelevant.
onderdeel 2.2.2-2voortbouwt op de zojuist ongefundeerd bevonden klacht, is het geen beter lot beschoren. Voor het overige betoogt het dat [eiser] de door ATAL gestelde schade voldoende heeft bestreden.
in de gegeven omstandighedenzouden hebben aanvaard. Voor zover aan de uiteenzettingen in de mvg onder 4 -12 al een touw valt vast te knopen, behelzen ze niets begrijpelijks wat het Hof op het hier besproken punt tot andere gedachten had moeten of zelfs maar kunnen brengen.
onderdeel 2.2.2-4al begrijpelijk is, is het in essentie een herhaling van zetten.
onderdeel 2.2.2-5tot uitdrukking probeert te brengen dat de omstandigheid dat de financiële positie van ATAL niet in geding is, betekent dat er geen schade is, is het onbegrijpelijk. Voor het overige gaat het om een novum; in elk geval wordt niet onthuld waar hetgeen in de tweede alinea wordt aangevoerd in feitelijke aanleg te berde is gebracht. Dat geldt ook voor de schadebeperkingsplicht, nog daargelaten dat die stelling andermaal is gebaseerd op de veronderstelling dat ATAL in opvolgende jaren vergoed had kunnen krijgen wat zij eerder tekort gekomen is.
onderdeel 2.2.3(en in feite ook
onderdeel 2.2.8op p. 52 en 53) dat het Hof heeft miskend dat de door ATAL gestelde schade het gevolg is van het faillissement van STAT dat is veroorzaakt door het afknijpen van STAT door ATAL, althans dat ’s Hofs oordeel op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Ook deze klacht voldoet niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv Pro. omdat niet wordt aangegeven wat er op ’s Hofs dienaangaande aan het slot van rov. 3.30 gegeven motivering valt af te dingen.
onderdeel 2.8meent.
gekoppeld aan het sluittarief; dat staat heel duidelijk in de eerste volzin.
In dat kaderdoet hetgeen het onderdeel in drie pagina’s schildert niet ter zake. Dat [eiser] zijn laptop heeft moeten inleveren, is geen rechtvaardiging voor lange irrelevante uiteenzettingen.
Onderdeel 2.2.7brengt wederom niets nieuws. Bovendien ziet het eraan voorbij dat de mva/mvg onder 10, waarop beroep wordt gedaan, slechts betrekking heeft op de (kosten van?) declareren, terwijl het Hof mede het oog heeft op andere kosten, zo blijkt uit rov. 3.25 waarin wordt verwezen naar prod. 28 bij mvg. Ik heb deze productie bekeken en daarbij geconstateerd dat het om veel meer gaat dan de zojuist bedoelde kosten. Volledigheidshalve zij daarbij gememoreerd dat het Hof een aantal van de door ATAL opgevoerde kosten naar aanleiding van het verweer van [eiser] heeft weggestreept; zie eveneens rov. 3.25.
onderdeel 2.2.8is er, los van hetgeen onder 4.52 al werd besproken, niets nieuws onder de zon.
Onderdeel 2.3.1bevat geen zelfstandige klacht. Bovendien gaat het uit van de onjuiste veronderstelling dat indien [eiser] geen ernstig verwijt valt te maken, de kosten voor het rapport van PwC niet voor vergoeding in aanmerking komen. Blijkens rov. 4.27 van het vonnis van 7 november 2012 van de Rechtbank – welk oordeel het Hof blijkens rov. 3.33 onderschrijft – is de toewijzing van de kosten PWC immers kennelijk gebaseerd op zowel het (naar in cassatie moet worden aangenomen) rechtmatig gegeven ontslag als op het wanbeleid. Dat zijn beide zelfstandige gronden die de inschakeling van PWC, in de redenering van het Hof, rechtvaardigen.
onderdeel 2.3.2is rov. 3.33 “in het geheel niet” gemotiveerd. Dat is niet juist. Rov. 3.33 kan moeilijk anders worden begrepen dan aldus dat het Hof het oordeel van de Rechtbank overneemt.
inschakelenvan PWC onnodig was, [53] daargelaten of dat wel juist is. [54]
5.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
eerste onderdeelis gericht tegen 's Hofs afwijzing van de door ATAL gevorderde “operationele kosten” ad € 245.866,26 die [eiser] aan STAT heeft laten voorschieten (rov. 3.22). Het Hof heeft de schadepost afgewezen omdat zij door [eiser] gemotiveerd is betwist en ATAL de post weliswaar bij akte van 19 februari 2014 alsnog van een specificatie heeft voorzien, maar niet met onderliggende stukken heeft gestaafd.
reeds in primagemotiveerd heeft betwist.
Onderdeel 1.4blijft steken in de stelling dat dit er niet toe doet. Het onderdeel bestrijdt evenmin dat ATAL eerst bij akte van 19 feburari 2014 (d.i. kort voor de pleidooien in appel, waarna het Hof arrest heeft gewezen) een specificatie heeft verstrekt. ’s Hofs oordeel moet zo worden begrepen dat ATAL in dit uitzonderlijk late stadium van de procedure niet kon volstaan met een blote specificatie, eens te minder nu reeds in eerste aanleg sprake was van een gemotiveerde bestrijding. Dat oordeel is zeker niet onbegrijpelijk. Hieraan doen de stellingen van de curator niet af, enerzijds niet omdat deze voor [eiser] oncontroleerbaar zijn en anderzijds omdat ook deze tardief waren ingeleverd. Ten overvloede teken ik daarbij nog aan dat ATAL zelf bepaaldelijk kritisch was over de bevindingen van de curator (genoemde akte onder 18). Reeds hierop lopen de klachten stuk.
tweede onderdeelkeert zich tegen de afwijzing van de door ATAL gevorderde advocatenkosten ad € 68.072,76 (rov. 3.31). Het Hof heeft overwogen dat ATAL heeft gesteld dat deze kosten betrekking hebben op het door STAT tegen ATAL gevoerde kort geding en dat ATAL onvoldoende heeft toegelicht dat zij het kort geding heeft verloren door het door [eiser] gevoerde wanbeleid. [55] Dit oordeel zou in het licht van hetgeen in het bestreden arrest onder u is vastgesteld en in rov. 3.25 en 3.26 is overwogen, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn.