ECLI:NL:HR:2001:AB2623
Hoge Raad
- Cassatie in het belang der wet
- F.H.J. Mijnssen
- W.H. Heemskerk
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- H.A.M. Aaftink
- A. Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Erkenning van huwelijksontbinding door verstoting onder Marokkaans recht
De zaak betreft het verzoek van een man om de ontbinding van zijn huwelijk in Marokko door verstoting te laten erkennen in de Nederlandse gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA). De man was in Nederland genaturaliseerd en had de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit. De ontbinding vond plaats door middel van een "Acte de répudiation compensatoire" opgesteld door adouls en gehomologeerd door een notariële rechter in Marokko.
De ambtenaar van de burgerlijke stand weigerde de inschrijving van deze ontbinding in de GBA, waarop de man bezwaar maakte en vervolgens de rechtbank verzocht tot inschrijving. De rechtbank gaf hem gelijk, maar de Procureur-Generaal stelde cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelde dat de ontbinding niet onder art. 2 van Pro de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (WCE) valt omdat deze niet door een rechter of andere autoriteit in een procedure tot stand is gekomen. Wel valt de verstoting onder art. 3 WCE Pro, mits de vrouw met de ontbinding instemt, wat hier het geval was. Omdat de man en vrouw beiden de Marokkaanse nationaliteit hebben en de ontbinding rechtsgevolg heeft in Marokko, dient deze in Nederland te worden erkend. Het beroep van de Procureur-Generaal werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de erkenning van de huwelijksontbinding door verstoting onder Marokkaans recht op grond van art. 3 WCE.