ECLI:NL:HR:2002:AE2639

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01199/01
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 279 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en onrechtmatige verdediging in belasting- en valsheidzaak

De verdachte werd door het Hof veroordeeld voor het opzettelijk onjuist doen van belastingaangifte en valsheid in geschrift, met een gevangenisstraf van twaalf maanden waarvan zes voorwaardelijk. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.

De Hoge Raad oordeelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, wat aanleiding gaf tot strafvermindering. Tevens werd vastgesteld dat de raadsvrouwe van de verdachte niet uitdrukkelijk was gemachtigd om de verdediging te voeren, waardoor zij niet bevoegd was om bepaalde verzoeken te doen tijdens de terechtzitting. Het Hof had deze verzoeken ten onrechte toegestaan, wat in strijd was met het wettelijke systeem.

De Hoge Raad vernietigde daarom de strafoplegging voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze tot elf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. Hiermee werd bevestigd dat de procedurele rechten van de verdachte waren geschonden, maar dat het bewijs en de overige aspecten van het vonnis stand hielden.

Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot elf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens overschrijding redelijke termijn en onrechtmatige verdediging.

Uitspraak

25 juni 2002
Strafkamer
nr. 01199/01
HJH/AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 mei 2000, nummer 22/002142-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 7 april 1999 voorzover aan 's Hofs oordeel onder-worpen - de verdachte ter zake van 3. en 4. "opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd" en 5. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. J.M. Sjöcrona en mr. D.V.A. Brouwer, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van die straf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
3.2. De verdachte heeft op 7 juni 2000 beroep in cassatie ingesteld. Blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel zijn deze op 21 juni 2001 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen.
Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Het middel is dus terecht voorgesteld. Dit moet leiden tot strafvermindering.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel keert zich tegen de ter terechtzitting van 10 mei 2000 door het Hof gegeven beslissing op een door de raadsvrouwe aldaar gedaan verzoek om een niet verschenen getuige alsnog op te roepen alsmede tegen een dienovereenkomstige, in het verkorte arrest door het Hof gegeven beslissing op een op die terechtzitting door de raadsvrouwe bij pleidooi gedaan verzoek tot het alsnog horen van de desbetreffende getuige.
4.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 10 mei 2000 houdt onder meer in:
"Als raadsvrouw van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr E.Z. Perez, advocaat te Rotterdam. De raadsvrouw van verdachte deelt mede dat zij niet bepaaldelijk door de verdachte is gevolmachtigd, maar dat zij wel de verdediging zal voeren."
Voorts houdt dat proces-verbaal in dat de raadsvrouwe alsnog oproeping verzoekt van een niet verschenen getuige. Blijkens het bestreden arrest heeft de raadsvrouwe dat verzoek bij pleidooi herhaald.
4.3. De raadsman die niet ingevolge art. 279, eerste lid, Sv heeft verklaard door de verdachte uitdrukkelijk te zijn gemachtigd tot het voeren van de verdediging, is op de terechtzitting slechts bevoegd het woord te voeren ter toelichting van de afwezigheid van de verdachte en het verzoeken van aanhouding van de behandeling van de zaak met het oog op de effectuering van het aanwezigheidsrecht van de verdachte of ten behoeve van het alsnog verkrijgen van een machtiging als hiervoor bedoeld.
Indien de rechter de raadsman toestaat buiten de bedoelde onderwerpen nog meer aan te voeren, geschiedt dit in strijd met het wettelijke systeem.
Niet uitgesloten is dat op grond van het bepaalde in art. 6 EVRM Pro in uitzonderlijke gevallen anders moet worden geoordeeld (vgl. HR 23 oktober 2001, NJ 2002, 77 en HR 23 april 2002, LJN AD8860).
4.4. De in het middel bedoelde verzoeken hebben geen betrekking op de onder 4.3 vermelde onderwerpen waarover de raadsvrouwe, ondanks het ontbreken van een uitdrukkelijke machtiging van de verdachte om de verdediging te voeren, toch het woord mag voeren.
Dit betekent, nu uit de stukken niet kan volgen dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval als hiervoor onder 4.3 bedoeld, dat het Hof de raadsvrouwe in strijd met het wettelijk systeem tot het doen van die verzoeken in de gelegenheid heeft gesteld, zodat zij geen behandeling behoefden.
4.5. Het middel moet dus buiten bespreking blijven.
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
Vermindert deze in die zin dat deze elf maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de waarnemend-griffier L.J.J. Braber, en uitgesproken op 25 juni 2002.