ECLI:NL:HR:2003:AF8486
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verwijst prejudiciële vraag over aftrek omzetbelasting bij gemengd gebruik bungalow
Belanghebbenden, wonend in Duitsland, kochten gezamenlijk een vakantiebungalow in Nederland die zij voor 87,5% verhuurden en 12,5% privé gebruikten. Zij brachten 87,5% van de in rekening gebrachte omzetbelasting in aftrek en verzochten om aanvullende teruggaaf voor het privégebruik. De Inspecteur verleende aanvankelijk teruggaaf, maar verklaarde het bezwaar tegen aanvullende teruggaaf niet-ontvankelijk. Het Hof verklaarde het bezwaar ontvankelijk, handhaafde de beschikking en veroordeelde de Inspecteur in proceskosten.
De Hoge Raad onderzoekt of de Nederlandse regeling die aftrek van omzetbelasting beperkt bij gemengd gebruik van goederen en diensten verenigbaar is met de Zesde richtlijn. Volgens het Hof is beperking toegestaan op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn, omdat de Nederlandse wetgeving ten tijde van de richtlijn dit toestond. Belanghebbenden betwisten dit en wijzen op arresten van het Hof van Justitie die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.
De Hoge Raad constateert dat het Nederlandse systeem afwijkt van het richtlijnsysteem doordat het direct aftrek beperkt zonder latere correctie, wat kan leiden tot concurrentieverschillen en manipulatie. Gezien de onduidelijkheid over de uitleg van de Zesde richtlijn, schorst de Hoge Raad de procedure en verzoekt het Hof van Justitie om prejudiciële uitspraak over de vraag of het Nederlandse systeem verenigbaar is met de richtlijn.
Uitkomst: De Hoge Raad schorst de procedure en verwijst prejudiciële vragen over de uitleg van de Zesde richtlijn omzetbelasting aan het Hof van Justitie.