ECLI:NL:HR:2004:AI0746
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Vertrouwensbeginsel en toewijzing heffingsrecht bij salarissplitsing internationale concerndirecteur
Belanghebbende, directeur verbonden aan een internationaal concern, ontving inkomsten van een Franse werkmaatschappij waarover hij aanspraak maakte op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting. De Inspecteur volgde jarenlang de door belanghebbende gevolgde methode, maar stelde later een beperkter standpunt in, wat leidde tot een geschil over het heffingsrecht en het door belanghebbende gewekte vertrouwen.
Het hof oordeelde dat belanghebbende in redelijkheid mocht vertrouwen op de mededeling van het Ministerie van Financiën (de Mededeling DB89/6767) en de gedragslijn van de Inspecteur, waardoor de aanspraak op vermindering ter voorkoming van dubbele belasting ook voor het jaar 1994 zou worden gehonoreerd. De Staatssecretaris stelde cassatie in tegen dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelt dat na de brief van 18 december 1992 het vertrouwen is weggenomen en dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom belanghebbende aan de Mededeling een in rechte te beschermen vertrouwen mocht ontlenen. Ook is onduidelijk of de functie van gérant valt onder de in het belastingverdrag bedoelde bestuurdersfunctie, wat van belang is voor de toepassing van artikel 16 van Pro het verdrag. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en verwijst de zaak naar het hof voor verdere behandeling.
De Hoge Raad wijst erop dat de toewijzing van het heffingsrecht over de Franse inkomsten aan Nederland en Frankrijk moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 15 van Pro het belastingverdrag, conform het eensluidend oordeel van de Nederlandse en Franse autoriteiten. De proceskosten worden niet aan belanghebbende toegewezen; het verwijzingshof zal hierover beslissen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling met inachtneming van het arrest.