Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA1835

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
43098
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieResolutie Staatssecretaris van Financiën 11 juli 1994 nr. IFZ 94/779Belastingverdrag Nederland-Frankrijk 16 maart 1973
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling beroep op gelijkheidsbeginsel bij belastingheffing directeuren en werknemers

Belanghebbende was tegen een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1994 in beroep gegaan. Na diverse procedures bevestigde het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch de aanslag, inclusief de heffingsrente. Belanghebbende stelde in cassatie onder meer dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat directeuren van buitenlandse vennootschappen anders werden belast dan andere werknemers.

De Hoge Raad oordeelde dat de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën uit 1994, die de vrijstellingsmethode goedkeurt voor directeuren en commissarissen om dubbele belasting te voorkomen, niet strekt tot volledige gelijkstelling van belastingdruk tussen deze groepen en andere werknemers. Dit is mede omdat de belastingverdragen verschillende regels hanteren voor deze groepen, wat betekent dat zij niet als gelijke gevallen kunnen worden beschouwd.

Daarom werd het middel verworpen en het beroep in cassatie ongegrond verklaard. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de gehanteerde belastingmethodiek en de toepassing van het gelijkheidsbeginsel in deze context.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de aanslag inclusief heffingsrente wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 43.098
30 maart 2007
AS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 9 februari 2006, nr. 04/02709, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente.
1. Aanslag, beschikking en bezwaar
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, waarbij heffingsrente in rekening is gebracht. Na daartegen gemaakt bezwaar is bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 593.596, met een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting van ƒ 24.935, en is de heffingsrente verminderd tot ƒ 6508.
2. Loop van het geding tot dusverre
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Arnhem. De uitspraak van dit Hof van 15 januari 2002 is op het beroep van de Staatssecretaris van Financiën bij arrest van de Hoge Raad van 10 december 2004, nr. 38317, BNB 2005/195, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
3. Het tweede geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
4. Behandeling van de middelen
4.1. De middelen 1, 2 en 3 kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4.2.1. Middel 4 keert zich tegen 's Hofs afwijzing van belanghebbendes op grond van het gelijkheidsbeginsel gedane beroep op de Resolutie van de Staatssecretaris van Financiën van 11 juli 1994, nr. IFZ 94/779, BNB 1994/301 (hierna: de resolutie).
4.2.2. In de resolutie is goedgekeurd - kort gezegd - dat met betrekking tot beloningen van hier te lande wonende directeuren en commissarissen van buitenlandse vennootschappen ter voorkoming van dubbele belasting de zogenoemde vrijstellingsmethode wordt toegepast, als in het desbetreffende belastingverdrag de zogenoemde verrekeningsmethode is voorgeschreven. De resolutie strekt ertoe aldus te voorkomen dat directeuren- en commissarissenbeloningen zwaarder worden belast dan de uit dienstbetrekking genoten inkomsten van andere hier te lande wonende werknemers die in de desbetreffende staat werkzaamheden verrichten.
4.2.3. Bij de beoordeling van het middel moet ervan worden uitgegaan dat voor de arbeidsinkomsten van directeuren en commissarissen enerzijds en die van andere werknemers anderzijds volgens het toepasselijke belastingverdrag - zoals het ten aanzien van belanghebbende toepasselijke Belastingverdrag Nederland-Frankrijk van 16 maart 1973 (hierna: het Verdrag) - verschillende regels gelden voor zowel de toewijzing van de inkomsten als de wijze van voorkoming van dubbele belasting. Het gaat hier derhalve om gevallen die de verdragsluitende partijen niet als gelijk hebben aangemerkt.
4.2.4. De in de resolutie vervatte goedkeuring betreft uitsluitend de ter zake van directeuren- en commissarissenbeloningen - waarbij de resolutie klaarblijkelijk uitsluitend het oog heeft op beloningen als bedoeld in (voor zover hier van belang) artikel 16 van Pro het Verdrag - toepasselijke methode ter voorkoming van dubbele belasting. De resolutie strekt er derhalve niet toe alle uit de toepassing van de verdragsbepalingen (hier artikel 16 respectievelijk Pro 15 van het Verdag) voortvloeiende verschillen in belastingdruk met betrekking tot de beloningen van directeuren en commissarissen enerzijds en die van andere werknemers anderzijds weg te nemen. Daarom kan - anders dan het middel tot uitgangspunt neemt - niet worden gezegd dat in het licht van de doelstelling van de resolutie directeuren en commissarissen enerzijds en bestuurders van vennootschappen, zoals belanghebbende, die worden gerekend tot de andere werknemers anderzijds als gelijke gevallen moeten worden aangemerkt. Hierop stuit het middel af.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2007.