ECLI:NL:HR:2004:AO9023
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat bouw eerste bedrijfswoning op landbouwgrond leidt tot bestemmingswijzigingswinst
Belanghebbende, samen met zijn broer eigenaar van landbouwgrond, heeft een deel van het perceel aan zichzelf overgedragen en daarop een eerste bedrijfswoning gebouwd. Na bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premies, die handhaving van het belastbaar inkomen tot gevolg hadden, werd het beroep bij het hof ongegrond verklaard.
De Hoge Raad bevestigt dat onder art. 8 lid 1 sub b Wet Pro IB 1964 de bouw van een woning op landbouwgrond betekent dat het perceel niet langer voor landbouw wordt gebruikt. Dit geldt ook als de woning dienstbaar is aan het landbouwbedrijf of de ondernemer nabij het bedrijf moet wonen.
Het hof had geoordeeld dat de grond waarop de eerste bedrijfswoning is gebouwd niet automatisch dienstbaar blijft aan het landbouwbedrijf, tenzij bijzondere omstandigheden dat aantonen. Die omstandigheden ontbraken in deze zaak.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en wijst het beroep af. Er worden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; de bouw van de eerste bedrijfswoning leidt tot onttrekking van het perceel aan landbouwgebruik en belastbare bestemmingswijzigingswinst.