ECLI:NL:HR:2005:AT4895

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 april 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39781
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • J.W. van den Berge
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 lid 1 letter b Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8 lid 3 Wet op de inkomstenbelasting 1964
Verwijzingen
2 uitgaand · 10 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt landbouwvrijstelling voor paardenopfokbedrijf

Belanghebbende, een agrarisch ondernemer, verkocht in 1996 een perceel landbouwgrond. De opbrengst van deze verkoop leidde tot een aanslag inkomstenbelasting die na bezwaar en beroep door het Hof werd verminderd op grond van de landbouwvrijstelling. De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in.

Het geschil betrof de vraag of het paardenopfokbedrijf van de kopers van het perceel als landbouwbedrijf kan worden aangemerkt binnen de betekenis van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het Hof oordeelde dat dit het geval was, mede omdat het bedrijf onder de paardenhouderij valt, een milieuvergunning bezit, en het gebruik van de paarden na de opfokperiode niet doorslaggevend is.

De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het oordeel van het Hof was niet onbegrijpelijk en berustte op feitelijke waarderingen die niet voor toetsing in cassatie vatbaar zijn. De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het paardenopfokbedrijf een landbouwbedrijf is en verklaart het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

Nr. 39.781
29 april 2005
EC
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 april 2003, nr. 01/00063, betreffende na te melden aan X te Z opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 206.958, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 142.002.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van ƒ 4.740. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende oefent een agrarisch bedrijf uit. In 1992 heeft belanghebbende een perceel landbouwgrond, gelegen aan de A-straat te B, groot 2.06.50 ha., kadastraal bekend als gemeente C, sectie T, nummer 154 (hierna: het perceel) verkocht aan D voor ƒ 250.000. De levering van het perceel heeft plaatsgevonden bij notariële akte d.d. 19 november 1996.
De heer en mevrouw D exploiteren een paardenopfokbedrijf, genaamd Paarden-opfok-bedrijf "F" (hierna: F). De activiteiten in het kader van F bestaan uit het opfokken van jonge paarden van cliënten. Veulens worden als zij ongeveer 5 maanden oud zijn, aangeleverd en vervolgens in groepsverband gehuisvest. De jonge paarden blijven in deze groepen tot zij ongeveer 3 jaar zijn en gaan dan weer terug naar de eigenaar. De eigenaar bepaalt vervolgens wat er met het paard gebeurt: een merrie kan worden ingezet voor de fokkerij, een hengst kan worden voorgesteld op een hengstenkeuring om te worden toegelaten tot de dekdienst, het paard kan worden ingezet in de sport, een combinatie van één van deze mogelijkheden, of de eigenaar besluit tot nog een ander gebruik van het dan ongeveer driejarige paard. De paardeneigenaar kan, naast het voeren en verschaffen van onderdak aan de paarden, ook andere diensten afnemen, zoals het keuringsklaar maken van een paard, trailermak maken en zadelmak maken; waarbij geldt dat elke afzonderlijke dienst in rekening wordt gebracht, boven de normale stallingprijs.
3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of het paardenopfokbedrijf van de heer en mevrouw D kan worden aangemerkt als een landbouwbedrijf in de zin van artikel 8, lid 1, letter b, juncto lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet), zodat de met de verkoop van het perceel behaalde boekwinst is vrijgesteld op grond van de in artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet vervatte landbouwvrijstelling, welke vraag de Inspecteur ontkennend en belanghebbende bevestigend heeft beantwoord.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat F een landbouwbedrijf is in de hiervóór bedoelde zin. Het heeft daarbij onder meer het volgende in aanmerking genomen:
- F valt onder de afdeling paardenhouderij van het productschap voor Vee en Vlees en is derhalve onderworpen aan de voor deze sector uitgevaardigde regels; zo dient men te beschikken over een milieuvergunning 'Agrarische sector' en is men 'Minas'-aangifteplichtig;
- de bestemming van het perceel is agrarisch;
- het arrest HR 26 augustus 1998, nr. 32598, BNB 1999/47, dat betrekking heeft op een exploitant van een springstal die jonge paarden opfokt, africht, traint, houdt en exploiteert in het kader van de springsport, ziet op een andere situatie, nu in de onderhavige zaak vrijwel niets met de dieren wordt gedaan naast het verschaffen van voer, water en onderdak;
- het gebruik van een paard na de opfokperiode - in casu veelal in de hobby- en sportsfeer - is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf; op het moment dat het paard op ongeveer driejarige leeftijd het 'productieproces' verlaat, kan pas worden beoordeeld of het dier binnen of buiten de agrarische sector wordt ingezet;
- paardenopfokbedrijven vallen binnen de landbouwregeling in de omzetbelasting en er is geen aanleiding het begrip landbouwbedrijf voor de inkomstenbelasting anders te duiden dan voor de omzetbelasting;
- in uiterlijke verschijningsvorm en naar maatschappelijke opvattingen is sprake van een landbouwbedrijf.
Het middel richt zich tegen dit oordeel.
3.4. In het hiervóór weergegeven oordeel van het Hof ligt besloten het oordeel dat het bedrijf van de heer en mevrouw D in overwegende mate is gericht op het opfokken van paarden. Aldus verstaan geeft 's Hofs oordeel geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan als verweven met waarderingen van feitelijke aard voor het overige niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Het daartegen gerichte middel faalt mitsdien.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1932 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 29 april 2005.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 414.