ECLI:NL:HR:2006:AU8108
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens grondslagverlating in zaak bemiddeling bij aantrekken gelden publiek
In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van het bedrijfsmatig aantrekken van op termijn opvorderbare gelden van het publiek in Nederland en België gedurende de periode 1995-1999. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte in Nederland en België had bemiddeld bij het aantrekken van deze gelden, maar nam geen beslissing over de verschillende alternatieven in de tenlastelegging met betrekking tot de plaats en de betrokken personen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof hiermee in strijd handelde met artikel 350 Sv Pro, dat vereist dat de rechter in hoger beroep op de grondslag van de tenlastelegging beraadslaagt. De tenlastelegging dient immers duidelijkheid te verschaffen over de inzet en beslissingsstructuur voor alle procesdeelnemers. Door slechts een ruime omschrijving te gebruiken en geen beslissing te nemen over de alternatieven, heeft het hof de grondslag verlaten.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest en verwees de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor hernieuwde berechting op het bestaande hoger beroep. De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en vier raadsheren op 18 april 2006. De zaak betreft een overtreding van artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, waarvoor het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf had opgelegd.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens grondslagverlating en de zaak wordt verwezen naar het hof Arnhem voor hernieuwde berechting.