ECLI:NL:HR:2006:AU8299

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02363/05 W
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11.1.d Verdrag overbrenging gevonniste personenArt. 31.1 WOTSArt. 79.1.b ROArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toetsing strafrechtelijke positie bij strafomzetting WOTS

In deze zaak stond de omzetting van een in Duitsland opgelegde straf naar Nederlandse maatstaven centraal, waarbij de veroordeelde betoogde dat zijn strafrechtelijke positie door de omzetting werd verzwaard. De rechtbank had onderzocht of de veroordeelde in Duitsland waarschijnlijk eerder in vrijheid zou worden gesteld dan in Nederland en oordeelde dat dit niet het geval was. Dit oordeel, dat verweven is met feitelijke bevindingen, werd door de Hoge Raad slechts getoetst op begrijpelijkheid.

Daarnaast werd de uitleg van het buitenlandse recht door de rechtbank bevestigd. De Hoge Raad herhaalt dat volgens eerdere jurisprudentie de Nederlandse rechter bij omzetting van een buitenlandse straf een straf moet opleggen die naar Nederlandse maatstaven past bij de ernst van het feit, omstandigheden en dader, zonder de duur van de buitenlandse straf te overschrijden.

De rechtbank had ook meegewogen dat de Nederlandse overheid waarschuwt voor de risico's van strafbare feiten omtrent verdovende middelen in het buitenland, waardoor de veroordeelde bewust het risico liep op een zwaardere straf. Deze factor mag als zelfstandige overweging worden betrokken.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en verwerpt het beroep van de veroordeelde. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken op 14 februari 2006.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtspraak over de toetsing van strafrechtelijke positie bij strafomzetting WOTS.

Uitspraak

14 februari 2006
Strafkamer
nr. 02363/05 W
EC/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Roermond van 9 augustus 2005, nummer 04/898005-05, omtrent een verzoek van de Duitse Autoriteiten tot overname van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing tegen:
[veroordeelde], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Nadien heeft de raadsman het eerste middel ingetrokken.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 14 februari 2006.