ECLI:NL:PHR:2007:AZ4730
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toelaatbaarheid tenuitvoerlegging Duitse gevangenisstraf onder WOTS met strafomzetting
De zaak betreft de tenuitvoerlegging in Nederland van een gevangenisstraf die door een Duitse rechter aan de veroordeelde is opgelegd wegens drugsmisdrijven. De rechtbank had de tenuitvoerlegging toelaatbaar verklaard en de strafduur omgezet van tweeënhalf jaar naar vijftien maanden gevangenisstraf, rekening houdend met Nederlandse strafwaardering.
De verdediging voerde onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte het Verdrag betreffende de Overdracht van Gevonniste Personen (VOGP) toepaste in plaats van het toepasselijke EU-verdrag, dat stukken ontbraken, en dat de borgsom die was verbeurd verklaard betekende dat de straf al was ondergaan. De Hoge Raad oordeelde dat het EU-verdrag van toepassing is en dat de rechtbank terecht oordeelde dat de stukken voldoende waren, ook al was het besluit over de borgsom niet formeel vereist.
Daarnaast verwierp de Hoge Raad het beroep op ne bis in idem, omdat de borgsomverbeurdverklaring niet gelijkstaat aan het ondergaan van de straf. De motivering van de strafomzetting door de rechtbank werd eveneens als voldoende beoordeeld, waarbij rekening werd gehouden met de Nederlandse maatstaven en de omstandigheden van de veroordeelde.
Tenslotte werd het beroep verworpen wegens het ontbreken van een tijdig verweer omtrent de redelijke termijn. De Hoge Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de toelaatbaarheid van de tenuitvoerlegging van de Duitse gevangenisstraf in Nederland met omzetting naar vijftien maanden gevangenisstraf.