ECLI:NL:PHR:2008:BC1309
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vaststelling en beperking van ontnemingsmaatregel wegens wederrechtelijk verkregen voordeel bij drugshandel
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin aan betrokkene een betalingsverplichting van €211.634,00 werd opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit voordeel werd berekend op basis van uitgaven in de periode van 1 september 1999 tot en met 9 juni 2000, gerelateerd aan bewezenverklaarde feiten van deelneming aan een criminele organisatie en overtredingen van de Opiumwet.
Betrokkene voerde aan dat het hof ten onrechte ook voordeel had betrokken uit feiten waarvoor hij reeds in 1998 door de Rechtbank Breda was veroordeeld en waarvoor geen ontnemingsvordering was ingesteld. De Hoge Raad stelde dat een ontnemingsvordering binnen twee jaar na de uitspraak in eerste aanleg moet worden ingesteld en dat het hof niet terecht deze oude feiten als "andere strafbare feiten" in de ontnemingsvordering kon betrekken. Hierdoor werd het voordeel uit die periode niet meegenomen.
Het hof baseerde de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een uitgebreid financieel onderzoek, waarbij uitgaven, bankrekeningen, contante betalingen en de productie en verkoop van circa 80 kilo XTC werden betrokken. Betrokkene stelde dat hij een bedrag van ƒ400.000,00 had overgehouden aan een eerdere zaak, maar het hof achtte deze stelling niet aannemelijk.
De Hoge Raad verwierp de middelen van cassatie, maar paste ambtshalve een correctie toe op het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, waarbij het bedrag van €211.634,00 als uitgangspunt werd genomen. De uitspraak bevestigt de noodzaak van een tijdige ontnemingsvordering en een zorgvuldige toerekening van voordeel aan bewezenverklaarde feiten.
Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €211.634,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, met uitsluiting van voordeel uit niet-tijdig ingediende ontnemingsvorderingen.