ECLI:NL:HR:2006:AW2536

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juli 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02402/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 SvArt. 335 SvArt. 361 SvArt. 415 SvArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens ontbreken beslissing over schadevergoeding benadeelde partij

In deze strafzaak heeft het Gerechtshof te Leeuwarden de verdachte veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf voor diefstal door twee of meer verenigde personen met braak. De benadeelde partij, een vennootschap onder firma, had zich in eerste aanleg als benadeelde partij gevoegd en een schadevergoeding van € 5.955,08 toegewezen gekregen.

Volgens artikel 421, tweede lid, Sv duurt de voeging van de benadeelde partij die in eerste aanleg heeft plaatsgevonden van rechtswege voort in hoger beroep voor zover de schadevergoeding is toegewezen. Het hof heeft echter nagelaten een met redenen omklede beslissing te nemen over de vordering van de benadeelde partij in hoger beroep, hetgeen in strijd is met de artikelen 335 en 361, vierde lid, in verbinding met artikel 415 Sv Pro.

De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim leidt tot vernietiging van het arrest voor zover het betreft de beslissing over de schadevergoeding en de strafoplegging. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening van deze onderdelen. Het beroep van de verdachte wordt voor het overige verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het geen beslissing bevat over de schadevergoeding en de strafoplegging, en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

4 juli 2006
Strafkamer
nr. 02402/05
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 5 april 2005, nummer 24/000154-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland" te Almere.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Groningen van 22 januari 2004 - de verdachte ter zake van "diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak" veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P.H.L.M. Souren, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.1. De aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding houden in dat v.o.f. [A], gevestigd te [vestigingsplaats], zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het onderhavige strafproces heeft gevoegd en dat haar vordering tot schadevergoeding door de Rechtbank bij vonnis van 22 januari 2004 is toegewezen tot een bedrag van € 5.955,08.
4.2. Ingevolge art. 421, tweede lid, Sv duurt de voeging die in eerste aanleg heeft plaatsgehad, van rechtswege voort in hoger beroep voorzover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen.
4.3. De bestreden uitspraak, houdt in strijd met de art. 335 en Pro 361, vierde lid, in verbinding met art. 415 Sv Pro, niet een met redenen omklede beslissing in over de vordering van de benadeelde partij. De Hoge Raad zal de uitspraak in zoverre en voor wat de strafoplegging betreft vernietigen.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voorzover daarin niet een beslissing is opgenomen over de vordering van de benadeelde partij alsmede voor wat de strafoplegging betreft;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Leeuwarden, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 4 juli 2006.
Mr. Corstens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.