ECLI:NL:PHR:2013:1951
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de positie van de benadeelde partij bij toepassing van artikel 80a RO in cassatie
Deze aanvullende conclusie behandelt de problematiek rond de toepassing van artikel 80a van het Wetboek van Rechtsvordering (RO) in cassatiezaken, met bijzondere aandacht voor de positie van de benadeelde partij. Artikel 80a RO maakt het mogelijk dat de Hoge Raad een cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaart wanneer de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. De vraag is of deze niet-ontvankelijkverklaring ook geldt voor de middelen die de benadeelde partij indient, die zelf geen cassatieberoep kan instellen maar wel middelen kan aanvoeren.
Historisch gezien is de positie van het slachtoffer en de benadeelde partij in het strafproces geleidelijk versterkt, onder meer door de Wet-Terwee en latere wetswijzigingen die het spreekrecht en voegingsmogelijkheden uitbreidden. De benadeelde partij kan zich voegen met een civiele vordering tot schadevergoeding, die accessoir is aan het strafproces. In cassatiefase kan de benadeelde partij alleen middelen indienen, geen zelfstandig cassatieberoep instellen.
De conclusie bespreekt uitgebreid de tekst en wetsgeschiedenis van art. 80a RO, waarbij wordt vastgesteld dat de wetgever niet expliciet heeft stilgestaan bij de gevolgen voor de benadeelde partij. Diverse auteurs en eerdere arresten tonen dat de niet-ontvankelijkverklaring op grond van art. 80a RO in wezen een verwerping van het cassatieberoep is en niet gelijkgesteld kan worden aan andere vormen van niet-ontvankelijkheid. Dit leidt tot de stelling dat ook bij toepassing van art. 80a RO de schriftuur van de benadeelde partij inhoudelijk beoordeeld zou moeten worden, om haar rechtsbescherming te waarborgen en haar belangen niet afhankelijk te maken van de kwaliteit van het cassatieberoep van verdachte of OM.
Tot slot wordt het middel van de benadeelde partij in de onderhavige zaak besproken. Het hof heeft de vordering tot schadevergoeding afgewezen zonder voldoende motivering, hetgeen onbegrijpelijk is. De conclusie pleit daarom voor vernietiging van het arrest voor zover het de benadeelde partij betreft en voor een nieuwe beslissing die recht doet aan de bewijsstukken en belangen van de benadeelde partij.
Uitkomst: De conclusie pleit voor inhoudelijke beoordeling van de middelen van de benadeelde partij ondanks niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep van verdachte of OM.