ECLI:NL:HR:2006:AY8984
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs belastingfraude en valsheid in geschrift bij voetballerstransfer
Deze zaak betreft het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarin verdachte werd vrijgesproken van belastingfraude en valsheid in geschrift in verband met de transfer van een voetballer van een Belgische club naar een Nederlandse club in 1995.
De tenlastelegging betrof het opzettelijk onjuist doen van aangiften loonbelasting en het voorhanden hebben van valse bescheiden door een stichting, waarbij verdachte leiding zou hebben gegeven aan deze feiten. Het hof oordeelde dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestond om de tenlasteleggingen te bewijzen, mede vanwege de contractuele bepalingen en getuigenverklaringen die de constructie van tekengeld niet overtuigend maakten.
De Hoge Raad bevestigt dat in cassatie niet kan worden getoetst of de feitenrechter terecht tot vrijspraak is gekomen op basis van zijn waardering van het bewijsmateriaal. Ook de motivering van het hof voldoet aan de wettelijke eisen. Het incidentele cassatieberoep van verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest van het hof wordt bekrachtigd en de verdachte blijft vrijgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens onvoldoende bewijs voor belastingfraude en valsheid in geschrift.