ECLI:NL:HR:2007:AZ8747
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- E.J. Numann
- F.B. Bakels
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over vaststelling griffierecht in onteigeningszaak in cassatie
In deze onteigeningszaak heeft de (waarnemend) griffier van de Hoge Raad een vast recht van €5.810,-- in rekening gebracht voor de cassatieprocedure, gebaseerd op art. 2 lid 3 onder Pro d van de Wet tarieven in burgerlijke zaken (WTBZ). Opposant, vertegenwoordigd door mr. J.P. van den Berg, betwistte dit en stelde dat het vast recht had moeten worden vastgesteld volgens art. 2 lid 3 onder Pro f WTBZ, dat geldt voor 'alle andere gevallen'.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat in onteigeningszaken de eis niet strekt tot betaling van een bepaalde geldsom, maar tot onteigening en schadeloosstelling. De wetswijziging van 1999 heeft wel een tarief toegevoegd voor rechtbanken bij vorderingen tot onteigening, maar geen regeling getroffen voor het vast recht in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad concludeert dat er geen onmiskenbare vergissing is die aanleiding geeft om het vast recht in cassatie op dezelfde wijze te bepalen als bij de eerste aanleg. Daarom is het tarief voor 'alle andere gevallen' van toepassing op cassatiezaken over onteigening. De Hoge Raad verklaart het verzet gegrond, vernietigt de beslissing van de griffier en stelt het vast recht vast op €296,--.
Uitkomst: Het vast recht voor de cassatieprocedure in deze onteigeningszaak wordt vastgesteld op €296,-- in plaats van €5.810,--.