Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2007:BA0490

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01242/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 330 SvArt. 365a SvArt. 440 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontbreken gemotiveerde beslissing op verzoek inzage meldkamerberichten

In deze strafzaak heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin hij was veroordeeld voor diefstal met geweld en bedreiging, gepleegd door twee of meer verenigde personen. De raadsman van de verdachte had verzocht om de uitwerking van het berichtenverkeer van de meldkamer toe te voegen aan het dossier, omdat uit die gegevens zou moeten blijken hoe de getuige de daders had beschreven.

Het hof heeft dit verzoek impliciet afgewezen in een aanvulling op het verkorte arrest, maar heeft nagelaten om een uitdrukkelijke en gemotiveerde beslissing op dit verzoek op te nemen in het verkorte arrest zelf of in het proces-verbaal van de terechtzitting, zoals vereist is op grond van artikel 330 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad oordeelt dat deze formele vereiste niet is nageleefd, waardoor het arrest niet in stand kan blijven. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof voor een nieuwe behandeling van het hoger beroep, waarbij het verzoek van de raadsman correct moet worden beoordeeld en gemotiveerd beslist.

De uitspraak benadrukt het belang van het zorgvuldig naleven van procesvoorschriften omtrent de motivering van beslissingen op verzoeken tot bewijsaanvulling, om nietigheid te voorkomen en de rechtsbescherming van de verdachte te waarborgen.

Uitkomst: Hoge Raad vernietigt arrest wegens ontbreken gemotiveerde beslissing op verzoek tot toevoeging meldkamerberichten en verwijst zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Uitspraak

17 april 2007
Strafkamer
nr. 01242/06
ZK/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem van 21 december 2005, nummer 21/003616-05, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Midden Holland" te Haarlem.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Utrecht van 30 juni 2005 - de verdachte ter zake van "diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf met verbeurdverklaring, onttrekking aan het verkeer en teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot zodanige op art. 440 Sv Pro gegronde beslissing als de Hoge Raad gepast voorkomt.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat het Hof ten onrechte niet in het verkorte arrest, maar in de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft beslist op het verzoek van de raadsman om de uitwerking van het berichtenverkeer van de meldkamer te doen toevoegen aan het dossier en voorts dat het verzoek ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden is afgewezen.
3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt omtrent het in het middel bedoelde verzoek het volgende in:
"Ik heb op 5 september 2005 aan de advocaat-generaal het verzoek gedaan om het berichtenverkeer in de meldkamer toe te voegen aan het dossier. Dit is niet gebeurd en daarom vraag ik dit nu nogmaals. Uit de gegevens van de meldkamer moet naar voren kunnen komen hoe de getuige de daders heeft beschreven en welk signalement hij heeft opgegeven."
3.2.2. De aanvulling op het verkorte arrest van het Hof houdt - na de weergave van de als bewijsmiddel opgenomen inhoud van een tweetal verklaringen van de getuige [getuige 1] - voor zover hier van belang, het volgende in:
"Gelet op de inhoud van deze verklaringen van [getuige 1] is aan het hof de noodzaak van het doen toevoegen van de door de raadsman bedoelde gegevens van de meldkamer niet gebleken, zodat impliciet het verzoek van de raadsman bij arrest is afgewezen."
3.3. Het hiervoor onder 3.2.1 weergegeven verzoek is een verzoek waaromtrent de rechter ingevolge art. 330 Sv Pro op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een gemotiveerde beslissing moet geven. Een dergelijke beslissing dient te zijn vervat in het verkorte vonnis of arrest, voorzover op het verzoek niet reeds ter terechtzitting is beslist (vgl. HR 23 maart 2004, LJN AO3254). Nu noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep noch het verkorte arrest een zodanige beslissing inhoudt, slaagt de dienaangaande opgeworpen klacht.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen voor het overige geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 17 april 2007.