ECLI:NL:HR:2007:BA0498
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid opening gerechtelijk vooronderzoek ondanks klachten over gesloten stelsel rechtsmiddelen
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het hof ten onrechte had geoordeeld dat het niet aan het hof is om de rechtmatigheid van het openen van een gerechtelijk vooronderzoek te toetsen vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. De verdachte voerde aan dat het gerechtelijk vooronderzoek niet was geopend op basis van een concrete verdenking jegens hem, maar vanwege zijn vermeende rol in de IRT-affaire.
Het hof had het verweer verworpen en overgenomen dat de beschikbare informatie op het moment van de opening van het gerechtelijk vooronderzoek voldoende basis bood voor de vordering tot opening. De rechtbank Haarlem had in eerdere beslissingen vastgesteld dat er een redelijk vermoeden van schuld bestond, mede gebaseerd op informatie van betrouwbare bronnen en eerdere onderzoeksresultaten.
De Hoge Raad oordeelde dat de klacht over het gesloten stelsel van rechtsmiddelen gegrond was, maar dat dit niet tot cassatie leidt omdat het hof het verweer terecht heeft verworpen op feitelijke gronden. De overige klachten van de verdachte konden eveneens niet tot cassatie leiden. Het beroep werd derhalve verworpen.
De uitspraak bevestigt de toepassing van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen en onderstreept dat toetsing van de rechtmatigheid van het openen van een gerechtelijk vooronderzoek primair aan de rechter-commissaris toekomt. De Hoge Raad handhaaft hiermee het oordeel van het hof en de rechtbank dat er voldoende grondslag was voor het onderzoek tegen verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van verdachte blijft in stand.