ECLI:NL:PHR:2009:BH1476
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over toetsing en bewijsuitsluiting bij onrechtmatige woningdoorzoeking
In deze zaak stond centraal de vraag of de doorzoeking van de woning van verdachte op 2 mei 2006 rechtmatig was verricht en of het bewijs dat tijdens deze doorzoeking werd verkregen, mocht worden gebruikt. Het hof had de verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan wettig bewijs, omdat het bewijs onrechtmatig was verkregen door een doorzoeking zonder toestemming van de bewoner en zonder aanwezigheid van de rechter-commissaris of officier van justitie.
De Hoge Raad bevestigt dat de beslissing van de rechter-commissaris tot het verlenen van een machtiging tot doorzoeking op grond van artikel 97 Sv Pro achteraf door de zittingsrechter kan worden getoetst. Dit betreft een marginale toetsing of de rechter-commissaris in redelijkheid tot zijn oordeel kon komen, mede gelet op de spoedeisendheid van de situatie. De term 'officier van justitie' in artikel 97 Sv Pro moet ruim worden uitgelegd en omvat elke OvJ die als zodanig optreedt, niet alleen de zaaksofficier.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het onrechtmatig verkregen bewijs moest worden uitgesloten. Volgens artikel 359a Sv moet bij bewijsuitsluiting rekening worden gehouden met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Het hof had alleen het belang van het voorschrift betrokken, maar niet de ernst van het verzuim en het nadeel voor de verdachte. Daarom wordt het arrest vernietigd en wordt de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.
De Hoge Raad bespreekt ook de praktische organisatie van het openbaar ministerie en de beschikbaarheid van officieren van justitie voor spoeddoorzoekingen. Het is niet altijd mogelijk dat een zaaksofficier zelf de doorzoeking verricht, en een hulpofficier kan worden gemachtigd indien geen OvJ beschikbaar is. De rechter-commissaris moet dit beoordelen op basis van belangenafwegingen en prioriteiten, waarbij ook de mogelijkheid van bevriezing van de situatie kan worden betrokken.
Al met al benadrukt de Hoge Raad het belang van een zorgvuldige motivering bij het uitsluiten van bewijs en de toetsing van de machtiging tot doorzoeking, waarbij de rechten van verdachte en de wettelijke voorschriften zorgvuldig moeten worden gewogen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens onvoldoende motivering omtrent bewijsuitsluiting na onrechtmatige woningdoorzoeking en verwijst de zaak terug voor nieuwe beoordeling.