Conclusie
1.Feiten en procesverloop
"te bepalen dat aan hun cliënten, in elk geval aan de raadslieden, de personalia van de verdachten in deze zaak zullen worden bekend gemaakt.”
medegedeeld op welke wijze de rechtbank van de namen van de verdachten op de hoogte is geraakt. Dat is aldus geschied, dat door de officier van justitie aan de voorzitter een exemplaar van de dagvaarding ter hand is gesteld, waarop de naam van de respectieve verdachte staat vermeld.
hetgeen voorafgaand aan de zitting van 20 februari 2017 ook is gebeurd. Hetzelfde geldt voor het op naam gestelde uittreksel uit het justitieel documentatieregister dat, zoals door de voorzitter ter zitting van 6 april 2017 is medegedeeld, door de officier van justitie aan hem is getoond. Ook dat is - anders dan het geanonimiseerde uittreksel - geen processtuk, maar een stuk, bedoeld om de rechtbank zekerheid te verschaffen omtrent de tenaamstelling van het uittreksel. (...). [2]
2.Bespreking van het cassatiemiddel
bij de behandeling van het verzoekvan de nabestaanden door de strafkamer van de rechtbank geen fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd, zodanig dat niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro. Ook de
inhoud van de beslissingvan de strafkamer geeft volgens het hof geen reden om aan te nemen dat fundamentele rechtsbeginselen als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro of art. 1 Sv Pro zijn geschonden. Het hof heeft op deze gronden geoordeeld dat voormelde uitzondering zich hier niet voordoet (rov. 6.5 – 6.9); om soortgelijke redenen achtte het hof ook art. 13 EVRM Pro niet geschonden (rov. 6.10).
This investigation should be independent, accessible to the victim’s family, carried out with reasonable promptness and expedition, effective in the sense that it is capable of leading to a determination of whether the force used in such cases was or was not justified in the circumstances or otherwise unlawful, and afford a sufficient element of public scrutiny of the investigation or its results (…)”.In EHRM 30 maart 2016 (Armani da Silva/U.K., appl.no. 5878/08), EHRC 2016/162 m.nt. J.M. ten Voorde, par. 229 – 239, is de eerdere rechtspraak samengevat [27] . Van de rechtspraak nadien noem ik EHRM 16 november 2017 (Boukrourou/Frankrijk, appl.no. 30059/15), EHRC 2018/39 m.nt. J.M. ten Voorde in een geval van overlijden van een mogelijk niet gezond zijnde persoon nadat hij was aangehouden door de politie [28] . Dat het onderzoeksresultaat met betrekking tot de toedracht en, zo mogelijk, de oorzaak van het overlijden direct of indirect toegankelijk moet zijn voor de nabestaanden blijkt uit het voorgaande. Over de vraag of dit ook inhoudt dat de namen van de bij de arrestatie of detentie betrokken personeelsleden bekend moeten worden gemaakt aan de nabestaanden van de overleden arrestant/gedetineerde, heb ik geen uitspraak van het EHRM gevonden [29] .
bevoegdheidvan de burgerlijke rechter bestaat tussen partijen geen verschil van mening. Eisers hebben aan hun vordering naar burgerlijk recht een onrechtmatige daad ten grondslag gelegd, waarvoor zij de Staat aansprakelijk houden. De burgerlijke rechter kan die vordering beoordelen [30] . Naar geldend recht kan de burgerlijke rechter (in kort geding) optreden als zogenaamde ‘rest-rechter’ voor gevallen waarin een procedure volgens het Wetboek van Strafvordering niet voorhanden is, hetzij niet met voldoende waarborgen is omkleed, hetzij voor spoedeisende gevallen niet voorziet in een op korte termijn te geven beslissing [31] . De constatering dat de burgerlijke rechter bevoegd is om een oordeel over de vordering te geven betekent nog niet dat de vordering wordt toegewezen. Zo is er, bijvoorbeeld, geen plaats voor een voorziening van de burgerlijke rechter indien voor de eisende partij een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan waarin over het desbetreffende verzoek kan of kon worden beslist [32] . Ook kan een vordering op inhoudelijke gronden worden afgewezen.
in casu: bescherming door de overheid; niet tegen de overheid) te onthouden. Zij kunnen daarmee hoogstens proberen af te dwingen dat een belangenafweging plaatsvindt tussen de beschermingsbehoefte van de verdachten en de beschermingsbehoefte van de nabestaanden. Die belangenafweging heeft het hof in het bestreden arrest verricht, onder meer in rov. 8.1 – 8.4.
Onderdeel 2.aklaagt dat het hof in dat geval de leer van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen heeft miskend. Ik citeer uit de toelichting op deze klacht (in de procesinleiding onder 1.5 – 1.6) het volgende:
zelfheeft geoordeeld dat het Wetboek van Strafvordering geen voorziening biedt om kennisneming resp. openbaarmaking van de namen van de verdachten te verzoeken. De strafrechter heeft zich beperkt tot het geven van een oordeel over de kennisneming van processtukken; dat is ook wat artikel 51b Sv van hem vergt. Vergelijkbaar is de rechtmatigheidstoets door de rechter-commissaris, die strikt de rechtmatigheid van aanhouding en inverzekeringstelling beoordeelt; dat is immers wat artikel 59a Sv van hem vergt. Wat bij de rechter-commissaris niet aan de orde kan worden gesteld, behoort de rechtbank te beoordelen [37] . Wat bij de strafrechter niet aan de orde kan worden gesteld, behoort de burgerlijke of bestuursrechter te beoordelen. De weg naar de burgerlijke rechter met een onrechtmatige daad actie zou alleen al om die reden moeten openstaan.”
inhoudvan de desbetreffende beslissing van de strafrechter.
ex parte) een beslissing heeft gegeven en een andere rechter (de strafrechter in de hoofdzaak of de burgerlijke rechter) later anders beslist, gaat niet op. Het beroep in dit verband op art. 13 EVRM Pro faalt om dezelfde reden: in de redenering van het hof hebben de nabestaanden de gelegenheid gekregen en benut om hun verzoek (tot opgaaf van de naam van de verdachte agenten en tot het niet geanonimiseerd behandelen van de strafzaak) voor te leggen aan een rechter. Evenals als art. 6 lid 1 EVRM Pro, dat in verhouding tot art. 13 EVRM Pro is aan te merken als de
lex specialis [44] , biedt art. 13 EVRM Pro aanspraak op toegang tot ‘een’ rechter. Het biedt niet noodzakelijk toegang tot de burgerlijke rechter. De wijze waarop de rechterlijke organisatie is ingedeeld (in rechters voor burgerlijke zaken en rechters voor strafzaken), is overgelaten aan de bij het EVRM aangesloten staten. Zowel de klacht dat het gesloten stelsel in dit geval niet geldt, als de klacht dat het hof een uitzondering op het gesloten stelsel had moeten aannemen, gaan om deze redenen niet op.
bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolgingrecht op een eerlijke en onpartijdige behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. Op dat recht kunnen de nabestaanden geen beroep doen: de vervolging is niet tegen hen ingesteld. Hetzelfde recht heeft een ieder
bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen. Hieraan kan een slachtoffer rechten ontlenen indien hij zich als benadeelde partij in het strafproces voegt: de strafrechter kan uitspraak doen over zijn aanspraak op schadevergoeding naar burgerlijk recht jegens de verdachte. Met de steller van het middel wil ik ervan uitgaan, dat een slachtoffer van een strafbaar feit ook een beroep kan doen op art. 6 lid Pro 1 (
civil limb) EVRM indien en voor zover het slachtoffer aan de rechter verzoekt zijn rechten of verplichtingen op grond van het Wetboek van Strafvordering, uitgelegd overeenkomstig de Slachtofferrichtlijn, vast te stellen. Toepassing van art. 47, in verbinding met art. 51, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zou m.i. tot dezelfde uitkomst hebben geleid.
fair trial-beginsel in art. 6 lid 1 EVRM Pro. Het
fair trial-beginsel brengt volgens de nabestaanden mee dat zij als procesdeelnemer niet mogen worden uitgesloten van de kennisneming van (persoons)gegevens die wel aan de strafrechter en aan andere procesdeelnemers (de officier van justitie, verdachten en hun raadslieden) bekend zijn gemaakt. In dit verband doet het middelonderdeel ook een beroep op het beginsel van
equality of arms:
fair trial-beginsel omdat de kennisneming aan de nabestaanden werd onthouden [48] . De redengeving in het proces-verbaal van de strafzitting, welke inhoudt dat het niet gaat om een ‘processtuk’ in de zin van het Wetboek van Strafvordering, wordt door de nabestaanden aangemerkt als rechtens onjuist. Een geheimhoudingsbevel als bedoeld in art. 32 Sv Pro heeft de rechtbank niet gegeven, zodat de nabestaanden aanspraak maken op kennisneming van
alleprocesstukken, in elk geval van de tot identificatie van de verdachten strekkende bescheiden die de rechter, de officier van justitie en de advocaten van de verdachten ter inzage hebben gekregen.
die voor hen van belang zijn. Van gebrek aan belang bij kennisneming kan, volgens de wetsgeschiedenis, bijvoorbeeld sprake zijn indien een verdachte terecht staat op verdenking van een aantal feiten. Indien het slachtoffer van, zeg, feit 4 in de telastelegging inzage verzoekt in het gehele strafdossier, kan hem op deze grond de kennisneming worden onthouden van stukken in het strafdossier die slechts betrekking hebben op de feiten die onder 1 t/m 3 aan de verdachte ten laste zijn gelegd. In dit voorbeeld gaat het om een eenvoudige toepassing van het belang-vereiste. In de huidige zaak ligt het antwoord minder voor het oprapen. Slachtoffers of nabestaanden kunnen er belang bij hebben de naam van de verdachten te kennen, teneinde een of meer van hun slachtofferrechten als bedoeld in het Wetboek van Strafvordering uit te oefenen.
fair trial-beginsel de bekritiseerde procedures in hun geheel te beoordelen: een eventuele tekortkoming in een procedure in eerste aanleg kan (zo nodig in appel) worden hersteld en onder omstandigheden, wanneer herstel niet meer mogelijk is, worden gecompenseerd door passende maatregelen. In het bestreden arrest is dit kennelijk de invalshoek geweest van waaruit het hof de vordering in kort geding heeft beoordeeld. Dit laatste leid ik hieruit af:
en bewijselementen kan aandragen. Volgens de nabestaanden heeft het hof miskend dat het in art. 51b lid 2 Sv opgenomen recht van slachtoffers om aan de officier van justitie te verzoeken bepaalde stukken aan het dossier toe te voegen, slechts gedeeltelijk uitvoering geeft aan wat artikel 10 van Pro de Slachtofferrichtlijn de lidstaten voorschrijft. Volgens hen omvat artikel 10 van Pro de Slachtofferrichtlijn ook een recht van slachtoffers om bewijselementen te vergaren en daartoe zelf onderzoek te laten doen. Het hof zou hebben miskend dat zij, in dat opzicht, wel degelijk worden gehinderd doordat de naam van de verdachte agenten niet aan hen is bekendgemaakt.
provide evidence”, “
produire des éléments de preuve”, “
Beweismittel beibringen”) bieden op dit punt geen andere inzichten. Het tweede lid houdt in dat de procedurevoorschriften op grond waarvan het slachtoffer tijdens de strafprocedure kan worden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren, worden bepaald door het nationale recht. Art. 51b lid 2 Sv is zo’n procedurevoorschrift in het nationale recht. Meer opheldering geeft de considerans van de Slachtofferrichtlijn onder 34:
de factobij de rechter geen beroep doen op art. 6:162 BW Pro of art. 6:170 BW Pro). Het burgerlijk procesrecht staat het dagvaarden van personen onder een nummer niet toe; het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voorziet evenmin in het procederen tegen anonieme personen. De eisen van een goede procesorde brengen met zich mee dat bekend moet zijn wie de wederpartij is. De nabestaanden weten slechts dat het om politie agenten gaat. Het is voor hen
de factoniet mogelijk een civiele vordering in te stellen en in die procedure te voldoen aan hun stel- en bewijsplicht.
social mediagroot ongenoegen over het politieoptreden is geuit [51] . De omstandigheid dat het hof niet heeft vastgesteld dat de nabestaanden hebben bijgedragen aan de bedoelde dreiging voor de agenten, neemt niet weg dat het hof in rov. 8.3 kon vaststellen dat de door de strafrechter aanwezig geachte dreiging voor het leven van de agenten op 4 juli 2017 nog actueel was. Voor het overige berust het bestreden oordeel op een waardering van de feiten, waarvan de juistheid niet kan worden getoetst in een cassatieprocedure. Onbegrijpelijk voor de lezer is het oordeel niet. Ook de tweede klacht leidt niet tot cassatie.