Conclusie
1.Inleiding en overzicht
Waar gaat de zaak in cassatie over?
2.De feiten en het geding voor de feitelijke instanties
3.Het geding in cassatie
onbedoeldniet geheel daarmee in lijn is en (iii) zowel voor inwoners als niet-inwoners inkomsten uit dienstbetrekking in de Golfstaten niet zijn onderworpen aan een belasting, zodat een inwoner van Nederland volgens de in die verdragen opgenomen verrekeningsmethode geen vermindering ontvangt op de in Nederland verschuldigde belasting. De goedkeuring is bovendien gegeven met het
oogmerkom de verschillen in de methoden van vermijding van dubbele belasting voor de bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking in de verdragen met de Golfstaten – die op dezelfde leest zijn geschoeid – onderling op te heffen.”
4.Verdragsbeleid en modelverdragen
5.Belastingverdrag met Turkije
Volgens vast gebruikt diende als uitgangspunt van de besprekingen de modelconventie met bijbehorend commentaar, zoals door het Fiscale Comité van de OESO in 1963 opgesteld en in 1977 gewijzigd (in het vervolg: het OESO-model). Dientengevolge komen de opbouw, inhoud en bewoordingen van de onderhavige Overeenkomst in het algemeen overeen met het gebruikelijke patroon van andere recentelijk door het Koninkrijk voor wat Nederland betreft gesloten belastingverdragen. In een aantal in de Overeenkomst neergelegde bepalingen is echter van de door het OESO-model getrokken lijnen afgeweken. Deze afwijkingen vinden hun grond in het verdragsbeleid van de beide landen, de inzichten die zijn ontwikkeld door de VN-groep van deskundigen terzake van belastingverdragen tussen ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden, zoals deze zijn neergelegd in de <
6.Belastingverdrag met Bahrein
nietals zodanig op
alshet Nederlandse verdragsbeleid-uitgangspunt zou zijn geweest dat die inkomsten worden toegewezen aan de woonstaat. Gegeven dat art. 14(3) dan een afwijking van dat uitgangspunt zou inhouden, zou immers ‘second best’ kunnen zijn om als woonstaat in voorkoming te voorzien via de verrekeningsmethode (vgl. de motivering in de in 5.5 geciteerde toelichting op art. 15(3) belastingverdrag met Turkije). Maar als art. 14(3) wel conform het Nederlandse verdragsbeleid zou zijn én dat beleid zou zijn gestoeld op de gedachte van kapitaalimportneutraliteit c.q. gelijke (concurrentie)positie op de werkvloer (vgl. 4.16), dan valt
welals zodanig op dat voorzien is in voorkoming via verrekening en niet in voorkoming via vrijstelling. Met andere woorden: dan zou een toelichting op dat punt in de rede hebben gelegen.
7.Belastingverdrag met Oman
Tekst
geenwoonstaatheffing voorstond voor inkomsten als bedoeld in art. 15(3) (zie 7.8). Bovendien ligt die methode niet voor de hand vanuit de optiek dat het om actieve inkomsten gaat, aangezien Nederland daarvoor als uitgangspunt de vrijstellingsmethode voorstaat in verband met het principe van kapitaalimportneutraliteit c.q. de concurrentiepositie (zie 4.13 en 4.16, alsmede 4.22-4.23).
9.Het Golfstatenbesluit
10.Beschouwing
Vooraf: uitstralingseffecten uitspraak Hof
waarvoor het van toepassing zijnde belastingverdrag de verrekeningsmethode voorschrijft” (mijn onderstreping; MP).
gepubliceerdbegunstigend beleid de rechtsbescherming in de rechtspraak niet via het (formele) gelijkheidsbeginsel maar via het vertrouwensbeginsel. [125] Bij ongepubliceerd begunstigend beleid loopt de rechtsbescherming als uitgangspunt wel via het (formele) gelijkheidsbeginsel. [126]
onbedoelde(c.q. onbewuste) afwijking van het verdragsbeleid (om uit te gaan van het principe van kapitaalimportneutraliteit voor actieve inkomsten) te herstellen. Dit vindt steun in de opmerking van de Staatssecretaris elders in de toelichting dat in het Golfstatenbesluit ‘deze omissie’ (waarmee gelet op de context wordt bedoeld: dat in de belastingverdragen met Bahrein en Oman de verrekeningsmethode is voorgeschreven in plaats van de vrijstellingsmethode) wordt hersteld. [131] Daarnaast vermeldt de Staatssecretaris dat de goedkeuring is gegeven met het oogmerk om de verschillen op te heffen tussen de verschillende belastingverdragen met de Golfstaten wat betreft de methode van vermijding van dubbele belasting voor bepaalde inkomsten uit dienstbetrekking. Naar ik begrijp gaat het daarbij volgens de Staatssecretaris om
onbedoeldeverschillen.
onbedoeldvan het verdragsbeleid is afgeweken, en dat het (mede) gebeurt om (onbedoelde) verschillen tussen de belastingverdragen met de verschillende Golfstaten weg te nemen.
onbedoeldeafwijking van het verdragsbeleid, komt naar mijn mening wat minder duidelijk naar voren in het Golfstatenbesluit zelf (vgl. 9.3-9.5). Ook de in 9.15 geciteerde brief van 13 oktober 2013 vermeldt niets in de trant dat in sommige belastingverdragen met de Golfstaten
onbedoeldin de verrekeningsmethode was voorzien. In de brief van 20 april 2018 komt echter wel duidelijk naar voren de motivering dat het gaat om herstel van een
onbedoeldeafwijking van het verdragsbeleid (zie 9.16: “Gebleken is inmiddels dat in sommige gevallen de redactie van het verdrag onbedoeld niet geheel daarmee [met het verdragsbeleid om een vrijstelling te verlenen; MP] in lijn is. Het beleidsbesluit strekt ertoe dit recht te zetten”; vgl. ook 9.17: “Er is niet gebleken van een bewuste keuze (…)”). Ik merk daarbij op dat de omstandigheid dat deze brief dateert van na de totstandkoming van het Golfstatenbesluit, naar mijn mening niet eraan in de weg staat om de brief als bron te gebruiken om de beweegredenen van de besluitgever te achterhalen. Deze brief is immers afkomstig van degene die het besluit heeft genomen (de staatssecretaris van Financiën) en die ook reageert in die hoedanigheid. Verder dateert de brief van relatief kort na het Golfstatenbesluit.
nietvoorziet in de vrijstellingsmethode voor inkomsten in de zin van art. 15(3) OESO-modelverdrag, indien het heffingsrecht niet is toegewezen aan de woonstaat van de werknemer. Maar dat zijn naar mijn mening toch duidelijk andere gevallen, omdat in die gevallen in het geheel niet is bepaald welke voorkomingsmethode van toepassing is, hetgeen op een omissie duidt (vgl. ook de voetnoot in de in 8.4 opgenomen tabel bij het belastingverdrag met Indonesië). In de belastingverdragen met Bahrein en Oman is daarentegen wél bepaald wat de voorkomingsmethode is, namelijk de verrekeningsmethode. In aanmerking genomen dat bij beide verdragen een van Nederlandse zijde opgesteld ontwerp als uitgangpunt voor de onderhandelingen diende (6.5 en 7.4), moet toch iemand van Nederlandse zijde art. 14(1 en 3) resp. art. 15(1 en 3) hebben opgenomen in de voorkomingsbepaling en daarbij de keuze hebben gemaakt om de artikelen op te nemen in het onderdeel waarin de verrekeningsmethode is voorgeschreven.
ten eerstedat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor de veronderstelling dat Nederland bij de totstandkoming van de belastingverdragen met Bahrein en Oman de voorkeur had voor woonstaatheffing. Er zijn eerder aanwijzingen voor het tegendeel, namelijk dat de overeengekomen ‘bronstaat’-heffing (ook) de voorkeur van Nederland had.
ten tweedeop dat het tweede argument van belanghebbende is toegespitst op inkomsten als bedoeld in art. 14(3) resp. art. 15(3) van de belastingverdragen met Bahrein en Oman. Het vormt geen verklaring waarom in de verrekeningsmethode is voorzien voor inkomsten als bedoeld in art. 14(1) resp. art. 15(1) van die belastingverdragen. Dat doet af aan de kracht van dat argument.
waaromin die methode (in plaats van in de vrijstellingsmethode) is voorzien. Anderzijds is er evenmin een goede verklaring hoe het kan
dát(desondanks) expliciet de verrekeningsmethode is voorgeschreven. Mijns inziens weegt het eerste zwaarder dan het tweede. Gegeven dat (i) het Nederlandse verdragsbeleid is om in de vrijstellingsmethode te voorzien ter zake van ‘actieve’ inkomsten, dat (ii) er prima facie geen plausibele inhoudelijke reden is waarom daarvan zou worden afgeweken voor inkomsten als bedoeld in art. 14(1 en 3) resp. art. 15(1 en 3) van de belastingverdragen met Bahrein en Oman, en dat (iii) in de toelichtende nota op die belastingverdragen een toelichting ontbreekt waarom is voorzien in de verrekeningsmethode voor die inkomsten, is het ontbreken van een inhoudelijke verklaring een zwaarwegend argument ten faveure van het uitgangspunt dat het voorschrijven van de verrekeningsmethode een onbedoelde c.q. onbewuste afwijking van het verdragsbeleid is. Dat argument weegt naar mijn mening duidelijk zwaarder dan het enkel op de tekst gebaseerde tegenargument dat niet onbedoeld in de verrekeningsmethode is voorzien. Ik meen dus dat het uitgangspunt kan worden aanvaard dat onbedoeld c.q. onbewust is afgeweken van het verdragsbeleid door de verrekeningsmethode voor te schrijven.