ECLI:NL:HR:2008:BB7068
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak poging tot moord wegens ontbreken wettig en overtuigend bewijs voorbedachte raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam, waarin verdachte werd vrijgesproken van poging tot moord wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voor het bestanddeel voorbedachte raad. De Advocaat-Generaal bij het Hof had betoogd dat uit de feiten en getuigenverklaringen voldoende blijkt dat verdachte tijd had om zich te beraden, waardoor sprake zou zijn van voorbedachte raad en daarmee poging tot moord.
Het Hof had echter geoordeeld dat het bewijs niet overtuigend genoeg was om voorbedachte raad vast te stellen en sprak verdachte vrij. De Hoge Raad bevestigt dat de selectie en waardering van bewijsmateriaal aan de feitenrechter is voorbehouden, ook bij vrijspraak. Het hof was niet verplicht om het oordeel nader te motiveren ondanks het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de Advocaat-Generaal.
De Hoge Raad wijst op de jurisprudentie dat voorbedachte raad betekent dat verdachte gelegenheid had zich te beraden op zijn daad. Hoewel de Advocaat-Generaal een andere interpretatie gaf, kan cassatie niet leiden tot herbeoordeling van de feiten. Het beroep wordt verworpen en de vrijspraak blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vrijspraak van verdachte wegens ontbreken van wettig en overtuigend bewijs voorbedachte raad bij poging tot moord.