ECLI:NL:HR:2008:BC6007
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot horen van getuige in hoger beroep medeplegen moord
In deze strafzaak werd de verdachte in hoger beroep veroordeeld voor medeplegen van moord en andere feiten, met een gevangenisstraf van dertien jaar. Tijdens de procedure werd een verzoek ingediend om een bepaalde getuige te horen. Dit verzoek werd aanvankelijk toegewezen en de zaak verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van getuigen. Na oproeping verscheen de getuige niet en werd op latere terechtzittingen opnieuw verzocht deze getuige te horen.
Het hof oordeelde echter dat het horen van de getuige niet noodzakelijk was en dat het niet horen van deze getuige de verdediging van de verdachte niet zou schaden. Dit oordeel werd gebaseerd op het feit dat de raadsman van de verdachte zich slechts had aangesloten bij het verzoek van een medeverdachte zonder eigen motivering waarom deze getuige relevant was voor de zaak van de verdachte.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de maatstaf van artikel 418, derde lid, Sv geldt voor de beoordeling van het verzoek tot het horen van getuigen, ook wanneer het verzoek na eerdere toewijzing en vergeefse oproeping opnieuw wordt gedaan. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het oordeel van het hof dat het verzoek tot het horen van de getuige terecht was afgewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.