Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te ’s-Gravenhage,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 juni 2015.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Betrokkene werd op 18 december 2014 inbewaring gesteld door de burgemeester van Den Haag en opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. De officier van justitie verzocht op 22 december 2014 de rechtbank om machtiging tot voortzetting van deze inbewaringstelling, met een geneeskundige verklaring opgesteld door een arts in opleiding tot specialist (AIOS). Tijdens de mondelinge behandeling op 30 december 2014 bevestigde de behandelend psychiater de inhoud van deze verklaring.
De rechtbank verleende de machtiging ondanks dat de verklaring niet was opgesteld door een niet-behandelend psychiater, zoals vereist volgens art. 5 lid 1 EVRM Pro en art. 27 Wet Pro Bopz. Betrokkene stelde cassatieberoep in met het verweer dat deze essentiële waarborg was geschonden.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank het vereiste van een verklaring van een niet-behandelend psychiater heeft miskend, aangezien de bevestigende psychiater ook de behandelend psychiater was. Dit vormt een schending van het grondrecht op vrijheid en recht op een eerlijk proces. Daarom vernietigde de Hoge Raad de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank voor verdere behandeling en beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot voortzetting van inbewaringstelling wegens ontbreken van een verklaring van een niet-behandelend psychiater en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.