ECLI:NL:HR:2009:BG9187

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/11343
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7 EVRMArt. 8 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
9 uitgaand · 25 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en rechtmatigheid DNA-onderzoek

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage waarbij de verdachte was veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar. De verdachte voerde onder meer aan dat de resultaten van DNA-onderzoek onrechtmatig waren verkregen, omdat deze in strijd zouden zijn met de artikelen 7 en 8 van het EVRM.

De Hoge Raad oordeelt dat deze stelling onjuist is, verwijzend naar een eerdere uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waarin het DNA-onderzoek als rechtmatig werd beoordeeld. Het cassatiemiddel dat zich op dit punt richt faalt dan ook.

Daarnaast constateert de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep is overschreden, waardoor de opgelegde gevangenisstraf ambtshalve wordt verminderd met vijf maanden. De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en vermindert deze tot vier maanden en twee weken.

Het beroep wordt voor het overige verworpen. De uitspraak is gewezen door drie raadsheren en uitgesproken op 3 maart 2009.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot vier maanden en twee weken vanwege overschrijding van de redelijke termijn; het DNA-onderzoek wordt als rechtmatig bevestigd.

Uitspraak

3 maart 2009
Strafkamer
nr. 07/11343
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 14 juli 2006, nummer 22/001446-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Rijnmond, locatie Noordsingel" te Rotterdam.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J.M. Lintz, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel klaagt over de verwerping van een verweer dat de resultaten van twee DNA-onderzoeken niet voor het bewijs gebezigd kunnen worden.
2.2. De verdachte is op 31 augustus 2004 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren. Op grond van art. 8 van Pro de op 1 februari 2005 in werking getreden wet van 19 september 2004, Stb. 465 (Wet DNA-onderzoek veroordeelden) is van de verdachte in verband met die veroordeling celmateriaal afgenomen ten behoeve van DNA-onderzoek. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de resultaten van dat onderzoek onrechtmatig zijn verkregen gelet op de art. 7 en Pro 8 EVRM, is onjuist (vgl. EHRM 7 december 2006, nr. 29514/05 (Van der Velden tegen Nederland), LJN BA0291).
2.3. Het middel faalt.
3. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en twee weken beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J.P. Balkema als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.J. Verhoeven, en uitgesproken op 3 maart 2009.