ECLI:NL:HR:2009:BG9874
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Vermogen tot naheffing van ambtshalve teruggegeven omzetbelasting volgens artikel 20 lid 1 AWR
Belanghebbende, een vennootschap onder firma, kreeg over de jaren 1999 tot en met 2002 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur de aanslag, maar het Hof verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de naheffingsaanslag. Het Hof oordeelde dat over 1999 en 2000 de teruggegeven omzetbelasting op aangifte was voldaan, zodat naheffing op grond van artikel 20 lid 1 AWR Pro niet mogelijk was, en dat er geen teruggaaf was verleend op verzoek, waardoor naheffing op grond van de tweede volzin van dat artikel ook niet mogelijk was.
De Hoge Raad stelt dat de teruggaaf die is verleend op verzoek van belanghebbende niet als een teruggaaf op grond van de belastingwet kan worden beschouwd, omdat de verzoeken niet binnen de wettelijke termijnen vielen en niet voorzien zijn in de wet. Hierdoor is naheffing op grond van de tweede volzin uitgesloten. Echter, de Hoge Raad oordeelt dat naheffing wel mogelijk is op grond van de eerste volzin van artikel 20 lid 1 AWR Pro, omdat de belastingplichtige door de teruggaaf in dezelfde positie komt als vóór de betaling en de Inspecteur dan bevoegd is de belasting na te heffen alsof deze niet was betaald.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof voor zover het betrekking heeft op de naheffingsaanslag en verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond. Er worden geen proceskosten toegewezen. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2009.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat naheffing van ambtshalve teruggegeven omzetbelasting mogelijk is op grond van artikel 20 lid 1 eerste volzin AWR.