ECLI:NL:HR:2009:BH9031

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/04347
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • J.P. Balkema
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 421 SvArt. 437 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep benadeelde partij bij afwijzing vordering in hoger beroep

In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep door een benadeelde partij centraal nadat haar vordering in hoger beroep was afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatie hadden ingesteld. De Hoge Raad bevestigde dat de wet geen regeling bevat die het benadeelde partij toestaat om zelfstandig cassatieberoep in te stellen in dergelijke omstandigheden.

De verdachte had geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard. De benadeelde partij had namens zich een schriftuur met een middel van cassatie ingediend, maar de Hoge Raad stelde vast dat hij niet bevoegd was deze te beoordelen omdat de wet dit niet voorziet.

De conclusie van de Advocaat-Generaal dat de verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard werd gevolgd. De schriftuur van de benadeelde partij bleef onbesproken en de Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.

Het arrest bevestigt de restrictieve uitleg van de wet omtrent de mogelijkheden van benadeelde partijen om cassatieberoep in te stellen, hetgeen van belang is voor de procesrechtelijke positie van benadeelden in strafzaken.

Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep en de schriftuur van de benadeelde partij blijft onbesproken.

Uitspraak

7 juli 2009
Strafkamer
Nr. 08/04347
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 februari 2008, nummer 22/004515-06, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 8], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn namens deze niet voorgesteld. Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de verdachte niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
3. Beoordeling van de schriftuur van de benadeelde partij
3.1. Art. 421, vierde lid, Sv voorziet in het instellen van hoger beroep door een benadeelde partij tegen de afwijzing van haar vordering door de rechter in eerste aanleg indien noch de verdachte noch het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld. De wet bevat geen regeling ten aanzien van het instellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij indien haar vordering door de appelrechter in het strafgeding niet-ontvankelijk is verklaard dan wel is afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatieberoep heeft ingesteld (vgl. HR 25 maart 2003, LJN AF4207, NJ 2003, 329). Evenmin bevat de wet zo een regeling voor het geval de verdachte onderscheidenlijk het openbaar ministerie in het ingestelde cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Daaruit moet worden afgeleid dat de wetgever van een dergelijke voorziening niet heeft willen weten.
Dat brengt mee dat de Hoge Raad in de genoemde gevallen niet bevoegd is tot de beoordeling van een op de voet van art. 437, derde lid, Sv ingediende schriftuur van een benadeelde partij.
3.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat de namens de benadeelde partij ingediende schriftuur onbesproken moet blijven.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 7 juli 2009.