ECLI:NL:HR:2009:BH9031
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep benadeelde partij bij afwijzing vordering in hoger beroep
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een cassatieberoep door een benadeelde partij centraal nadat haar vordering in hoger beroep was afgewezen en noch de verdachte noch het openbaar ministerie cassatie hadden ingesteld. De Hoge Raad bevestigde dat de wet geen regeling bevat die het benadeelde partij toestaat om zelfstandig cassatieberoep in te stellen in dergelijke omstandigheden.
De verdachte had geen middelen van cassatie ingediend binnen de wettelijke termijn, waardoor hij niet-ontvankelijk werd verklaard. De benadeelde partij had namens zich een schriftuur met een middel van cassatie ingediend, maar de Hoge Raad stelde vast dat hij niet bevoegd was deze te beoordelen omdat de wet dit niet voorziet.
De conclusie van de Advocaat-Generaal dat de verdachte niet-ontvankelijk moest worden verklaard werd gevolgd. De schriftuur van de benadeelde partij bleef onbesproken en de Hoge Raad verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in het cassatieberoep.
Het arrest bevestigt de restrictieve uitleg van de wet omtrent de mogelijkheden van benadeelde partijen om cassatieberoep in te stellen, hetgeen van belang is voor de procesrechtelijke positie van benadeelden in strafzaken.
Uitkomst: De verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep en de schriftuur van de benadeelde partij blijft onbesproken.