Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
NJ2014/301, m.nt. Van Kempen en nog eens uitdrukkelijk bevestigd in HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1277. In de laatstgenoemde zaak zet de Hoge Raad – naar aanleiding van het, met een veelheid van argumenten omklede, betoog van de opstellers van de cassatieschriftuur dat en waarom de benadeelde partij in haar cassatieberoep tóch zou moeten worden ontvangen – uitvoerig uiteen waarom hij niet tot een ander oordeel ten gronde komt. Zo kan de benadeelde partij aan het EVRM of aan het Unierecht niet een recht tot het instellen van cassatieberoep ontlenen. Daaraan vooraf gaan de overwegingen waarin hij erop wijst dat het openstellen van beroep in cassatie door een benadeelde partij een kwestie is die aan de wetgever moet worden overgelaten en dat in dat verband de minister al een voorstel tot wetswijziging heeft aangekondigd. [3] In zoverre overweegt de Hoge Raad:
3. […]
huidigeregeling de benadeelde partij bevoegd is om, als het cassatieberoep van het openbaar ministerie en/of de verdachte ontvankelijk is, middelen in te dienen over een
rechtspuntbetreffende uitsluitend haar vordering (art. 437, derde lid, Sv). Per saldo lijkt het conceptwetsvoorstel dus een zekere uitbreiding aan de door de benadeelde partij in cassatie te bestrijden beslissingen te geven: niet alleen rechtspunten over haar vordering, maar ook beslissingen over de betreffende schadevergoedingsmaatregel kunnen door haar aan de orde worden gesteld.
ditconceptwetsvoorstel is om in de aanloop naar de modernisering van het Wetboek van Strafvordering alvast onderdelen van die modernisering in de praktijk te brengen en daarmee ervaring op te doen. Eén van die onderdelen is de mogelijkheid tot afsplitsing van de vordering van een benadeelde partij van het hoofdgeding om de vordering van de benadeelde partij afzonderlijk te behandelen. Tegen de beslissing op de vordering van de benadeelde partij in deze afgesplitste procedure zal, indien het voorstel kracht van wet krijgt, hoger beroep en daarna ingevolge art. 583, eerste lid, Sv cassatieberoep mogelijk zijn. Dat geldt ook voor de benadeelde partij, met dien verstande dat voor haar hoger beroep en beroep in cassatie slechts openstaan indien haar vordering meer dan € 1.750 bedraagt.