ECLI:NL:HR:2010:BL5450

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/01267
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25 FaillissementswetArt. 27 FaillissementswetArt. 332 RvArt. 398 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep na overname vordering door curator in faillissement

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding en smartengeld wegens letselschade die hij stelt te hebben geleden tijdens zijn werkzaamheden voor verweerster. Tijdens de procedure bij de rechtbank is eiser op 2 juni 2003 failliet verklaard. De curator heeft de procedure overgenomen met toestemming van de rechter-commissaris.

Na een tussenvonnis waarbij hoger beroep werd opengesteld, heeft verweerster de curator gedagvaard en hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen. Het hof vernietigde deze tussenvonnissen en wees de vordering van eiser af.

De Hoge Raad oordeelt dat door de overname van de vordering door de curator, eiser geen procespartij meer is en dat het cassatieberoep alleen door de curator of verweerster kan worden ingesteld. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep van eiser niet-ontvankelijk en veroordeelt hem in de kosten van het geding.

Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens verlies van procespartij door overname vordering door curator.

Uitspraak

23 april 2010
Eerste Kamer
09/01267
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 233058\CV EXPL 01-1944 van de kantonrechter te 's-Gravenhage, locatie Gouda, van 25 juli 2002, 2 oktober 2003, 12 augustus 2004, 2 december 2004, 20 januari 2005 en 5 oktober 2006,
b. het arrest in de zaak 105.006.066/01 van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 16 september 2008.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerster] heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van het beroep en subsidiair tot verwerping daarvan.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot niet-ontvankelijkheid verklaring van het beroep.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 De vordering van [eiser] strekt tot betaling van schadevergoeding en smartengeld wegens letselschade die [eiser] stelt te hebben geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor [verweerster]. [Eiser] is op 2 juni 2003, hangende de procedure bij de rechtbank, in staat van faillissement verklaard. De curator heeft ingevolge art. 27 lid Pro 3 F. met toestemming van de rechter-commissaris de procedure overgenomen. Nadat bij tussenvonnis van 5 oktober 2006 door de rechtbank hoger beroep was opengesteld, heeft [verweerster] de curator gedagvaard voor het hof en hoger beroep aangezegd van de door de rechtbank gewezen tussenvonnissen. Het hof heeft deze tussenvonnissen vernietigd en de door [eiser] ingestelde vordering afgewezen.
3.2 Uit hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen blijkt dat de curator de vordering van [eiser] heeft overgenomen, waardoor deze buiten het geding is komen te staan en geen procespartij meer is. Het arrest van het hof, waartegen [eiser] beroep in cassatie heeft ingesteld, is (dan ook) gewezen tussen [verweerster] en de curator. De bevoegdheid om van dit arrest beroep in cassatie in te stellen komt alleen toe aan deze partijen. [Eiser] kan daarom niet worden ontvangen in zijn beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op € 358,38 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A. Hammerstein, als voorzitter, F.B. Bakels en W.D.H. Asser, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 23 april 2010.