ECLI:NL:HR:2010:BL5545
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De verdachte had beroep ingesteld tegen zijn veroordeling. De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar alleen voor wat betreft de hoogte van de straf, met een voorstel tot vermindering van de straf.
De Hoge Raad oordeelde dat de eerste drie middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was. Het vierde middel betrof de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, omdat de stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf met twee jaren. De rest van het beroep werd verworpen en het arrest werd vernietigd uitsluitend wat betreft de strafduur, die werd verminderd tot een jaar en tien maanden.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en het arrest werd uitgesproken op 13 april 2010.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot een jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.