5. De stukken van het geding houden, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
(i) Op 15 juli 2011 is de toentertijd veertienjarige [betrokkene 1] in aanwezigheid van zijn vader als getuige c.q. aangever van feit 4 gehoord door de politie.
(ii) De Rechtbank te Haarlem heeft de verdachte bij vonnis van 23 januari 2012 op tegenspraak veroordeeld. Namens de verdachte is op 2 februari 2012 hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
(iii) Bij appelschriftuur van 6 februari 2012 heeft de toenmalige raadsman van de verdachte verzocht als getuigen te horen alle personen die voorkomen in het dossier en/of gehoord zijn door de politie en/of die belastend dan wel ontlastend over de verdachte hebben verklaard en/of wier verklaringen de rechtbank blijkens de nog uit te werken bewijsconstructie voor het bewijs zal gebruiken. Daarnaast heeft hij verzocht als getuige te horen alle verbalisanten die betrokken zijn geweest bij het onderzoek en/of de totstandkoming van het dossier.
(iv) De opvolgende raadsman van de verdachte heeft bij faxbericht van 10 oktober 2012, gericht aan de advocaat-generaal bij het hof, in aanvulling op de appelschriftuur verzocht in totaal vijftien getuigen, onder wie [betrokkene 9] en [betrokkene 1]), te horen.Deze getuigen zijn in de faxbrief met onderzoekswensen gerubriceerd als nummers 12 ([betrokkene 9]) en 13 ([betrokkene 1]). Deze getuigen betreffen twee van de zes slachtoffers van het onder 4 ten laste gelegde feit. Het gaat om twee omstanders, die bij de politie verklaringen hebben afgelegd, onder meer inhoudende dat zij zich in de auto van [betrokkene 9] bevonden en dat zij door een man met een pistool die uit een wit bestelbusje kwam met een vuurwapen zijn bedreigd. De raadsman heeft ten aanzien van de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 1] het volgende aangevoerd. Naar aanleiding van hun bij de politie afgelegde verklaringen wenst de verdediging aan hen onder meer te vragen of zij hebben gezien dat de daders vanaf de motorfiets richting het witte bestelbusje liepen, of de daders hierbij een wapen in hun handen hadden en, zo ja, hoeveel van de daders, hoe de dader eruit zag die bij de bestuurder van het busje stond, hoeveel van de daders plaatsnamen in het busje en waar de rest van de daders was, en of zij duidelijk zicht hadden op de gebeurtenissen bij het busje.
(v) De advocaat-generaal bij het hof heeft in reactie op dit faxbericht bij brief van 23 oktober 2012, gericht aan de raadsman, opgemerkt zich te verzetten tegen het horen van (onder meer) de getuigen [betrokkene 9] en [betrokkene 1], aangezien deze getuigen bij de politie reeds heldere verklaringen hebben afgelegd over hetgeen waarover de raadsman hen wenst te horen en de getuigen nu niet meer kunnen verklaren dan zij al hebben gedaan.
(vi) Zoals blijkt uit de op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 (regiezitting) overgelegde pleitnotities, heeft de raadsman zijn verzoek om onder meer [betrokkene 9] en [betrokkene 1] als getuigen te horen herhaald. De raadsman heeft ter onderbouwing het verzoek om [betrokkene 8] (nummer 8; een omstander wiens bestelauto onder bedreiging van een vuurwapen was gestolen; feit 3), [betrokkene 9] en [betrokkene 1] te horen het volgende aangevoerd. In verband met het bewezen verklaarde medeplegen van feit 3 is het van belang precies vast te stellen hoe de diefstal met geweld en de vermeende samenwerking tussen de daders hebben plaatsgevonden. Gelet op het feit dat de overval niet liep zoals gepland en er daarna gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die niet vooraf kunnen zijn afgesproken door de daders, kan niet zonder meer worden gezegd dat bij alle feiten sprake is van medeplegen. Ook in dat verband is het horen van de getuigen [betrokkene 8], [betrokkene 9] en [betrokkene 1] in het belang van de verdediging en ook strikt noodzakelijk, aldus de raadsman.
(vii) Zoals weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012, heeft het hof in reactie op de verzoeken van de raadsman het volgende geoordeeld:
“Het hof beslist in de zaak [verdachte] dat:
- het verzoek om de volgende getuigen, aangeduid onder de nummers 2 tot en met 8, 12 en 13 in de aanvullende brief inhoudende onderzoekswensen van 10 oktober 2012, te doen oproepen wordt toegewezen:
* [betrokkene 2] (…);
* [betrokkene 3] (…);
* [betrokkene 4] (…);
* [betrokkene 5] (…);
* [betrokkene 6] (…);
* [betrokkene 7] (…);
* [betrokkene 8] (…);
* [betrokkene 9] (…);
- het verzoek om de medeverdachte [medeverdachte 2] als getuige te doen oproepen, wordt toegewezen;
- dat de overige medeverdachten [betrokkene 10] en [medeverdachte 1] ambtshalve als getuigen opgeroepen zullen worden;
- de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek en de onderbouwing daarvan gerelateerd aan de tenlastelegging aan het dossier zullen worden toegevoegd;
- het verzoek van de raadsman om de bij het Rijksrechercheonderzoek betrokken verbalisanten, aangeduid in zijn aanvullende appelschriftuur van 10 oktober 2012 onder 9 tot met 11, te doen oproepen, wordt afgewezen, nu door het voegen in het dossier van de resultaten van het Rijksrechercheonderzoek in voldoende mate aan het verdedigingsbelang tegemoet wordt gekomen.
(…)
Het hof verwijst de zaken primair naar de vaste raadsheer-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in dit gerechtshof, voor het horen van de getuigen toegewezen in de zaak [verdachte] en voor het horen van alle vier verdachten. Subsidiair verwijst het hof de zaken (met instemming van de advocaat-generaal en de verdediging) naar een van de leden van de behandelende strafkamer in de hoedanigheid van gedelegeerd raadsheer-commissaris voor het horen van voornoemde getuigen. Het hof verwijst de zaken meer subsidiair naar de rechtercommissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam, indien de raadsheer-commissaris voornoemd daartoe termen aanwezig acht. De stukken worden hiertoe in handen gesteld van de vaste raadsheer-commissaris.”
(viii) [betrokkene 8] is op 7 maart 2013 door de raadsheer-commissaris als getuige gehoord, terwijl [betrokkene 9] op 26 maart 2013 als getuige is gehoord door de raadsheer-commissaris.
(ix) Nadat op 14 januari 2013 en op 7 maart 2013 pro forma zittingen hebben plaatsgevonden, heeft op 18 april 2013 de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
(x) Het hof heeft de verdachte bij arrest van 2 mei 2013 veroordeeld. Het hof heeft de op 15 juli 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel 14 voor het bewijs gebruikt. Daarnaast heeft het hof (onder meer) de bij de politie (bewijsmiddel 11) en bij de raadsheer-commissaris (bewijsmiddel 12) afgelegde verklaringen van [betrokkene 8] en de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 9] (bewijsmiddel 13) tot het bewijs gebezigd.