Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof heeft verzuimd om een beslissing te nemen op het op de terechtzitting in hoger beroep van 25 oktober 2012 door de verdediging gedane verzoek om getuige [betrokkene 1] te horen.
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 4 onvoldoende is gemotiveerd, aangezien uit de bewijsvoering niet zonder meer kan worden afgeleid dat de verdachte de bewezen verklaarde bedreigingen tezamen en in vereniging met een ander of anderen heeft gepleegd en dat de verdachte opzet had op het door de medeverdachten bedreigen van [betrokkene 11], [betrokkene 9], [betrokkene 1], [betrokkene 12] en [betrokkene 13].
derde middelbehelst de klacht dat het hof in strijd met art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv heeft verzuimd te responderen op het ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 3 ingenomen uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, inhoudende dat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken aangezien de in de tenlastelegging genoemde handelingen niet als wegnemen kunnen worden beschouwd.
vierde middelbevat de klacht de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.