ECLI:NL:HR:2010:BN1415
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum
In deze zaak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, die een tussenbeschikking betrof. Het hof had in zijn beschikking niet uitdrukkelijk beslist over enig deel van het gevorderde, waardoor het geen eindbeschikking was. Volgens de toepasselijke procesrechtelijke bepalingen, met name art. 401a lid 2 Rv. in verbinding met art. 426 lid 4 Rv Pro., kan tegen een dergelijke tussenbeschikking slechts tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking cassatie worden ingesteld, tenzij het hof anders bepaalt of een uitzondering van toepassing is.
De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep van de vrouw niet-ontvankelijk. Hiermee wordt bevestigd dat het cassatieberoep tegen een tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum niet zelfstandig ontvankelijk is.
De uitspraak benadrukt het belang van de juiste procedurele route bij het instellen van cassatie en bevestigt de restrictieve toepassing van het recht op cassatie tegen tussenbeschikkingen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het gericht is tegen een tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum.