ECLI:NL:HR:2010:BN1415

Hoge Raad

Datum uitspraak
8 oktober 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/04634
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 401 lid 2 RvArt. 416 lid 4 RvArt. 401a lid 2 RvArt. 426 lid 4 Rv
Verwijzingen
7 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum

In deze zaak heeft de vrouw cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof Amsterdam, die een tussenbeschikking betrof. Het hof had in zijn beschikking niet uitdrukkelijk beslist over enig deel van het gevorderde, waardoor het geen eindbeschikking was. Volgens de toepasselijke procesrechtelijke bepalingen, met name art. 401a lid 2 Rv. in verbinding met art. 426 lid 4 Rv Pro., kan tegen een dergelijke tussenbeschikking slechts tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking cassatie worden ingesteld, tenzij het hof anders bepaalt of een uitzondering van toepassing is.

De Advocaat-Generaal had geconcludeerd dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moest worden verklaard. De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde het beroep van de vrouw niet-ontvankelijk. Hiermee wordt bevestigd dat het cassatieberoep tegen een tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum niet zelfstandig ontvankelijk is.

De uitspraak benadrukt het belang van de juiste procedurele route bij het instellen van cassatie en bevestigt de restrictieve toepassing van het recht op cassatie tegen tussenbeschikkingen. De beslissing is genomen door een meervoudige kamer van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Numann.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de vrouw wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het gericht is tegen een tussenbeschikking zonder uitdrukkelijk dictum.

Uitspraak

8 oktober 2010
Eerste Kamer
09/04634
DV/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
t e g e n
[De man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de vrouw en de man.
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de beschikking in de zaak 412276/FA RK 08-8777 van de rechtbank Amsterdam van 15 april 2009;
b. de beschikking in de zaak 200.037.988/01 van het gerechtshof te Amsterdam van 17 augustus 2009.
De beschikking van het hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep.
De advocaat van de vrouw heeft bij brief van 16 juli 2010 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Nu het hof in zijn beschikking niet reeds door een uitdrukkelijk dictum omtrent enig deel van het gevorderde een einde aan het geding heeft gemaakt, is die beschikking een tussenbeschikking. Volgens het hier toepasselijke art. 401a lid 2 Rv. in verbinding met art. 426 lid 4 Rv Pro. kan beroep in cassatie van deze beschikking slechts tegelijk met het beroep tegen de eindbeschikking worden ingesteld, nu het hof niet anders heeft bepaald en de overige in art. 401a vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn. Dit leidt tot niet-ontvankelijkheid van het beroep.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 8 oktober 2010.