ECLI:NL:HR:2011:BL8997
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- M.A. Loth
- M.A. Fierstra
- Rechtspraak.nl
Vonnis Hoge Raad over uitlokking van transacties met voorwetenschap onder Wet toezicht effectenverkeer 1995
De Hoge Raad heeft op 5 juli 2011 uitspraak gedaan in een cassatieprocedure tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam inzake het uitlokken van transacties met voorwetenschap onder de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Wte 1995).
De verdachte werd ervan beschuldigd in juli 2001 meermalen transacties te bewerkstelligen in aandelen van een beursgenoteerde vennootschap, terwijl hij beschikte over niet-openbare koersgevoelige informatie. De Hoge Raad bevestigt dat voor een veroordeling op grond van art. 46, tweede lid, Wte 1995 niet vereist is dat uit de transacties zelf een geldelijk voordeel wordt behaald. Het opzet van de verdachte hoeft niet te zijn gericht op het niet-openbaar zijn of koersgevoelig zijn van de informatie, aangezien deze bestanddelen geobjectiveerd zijn.
Het hof had het verweer van de verdachte dat de transacties verliesgevend waren verworpen en ook het beroep op de uitzondering voor tussenpersonen volgens art. 46, derde lid, onder a, Wte 1995 afgewezen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet op het verweer heeft beslist, maar dat dit niet leidt tot nietigheid omdat onvoldoende is toegelicht waarom de verdachte als tussenpersoon zou moeten worden aangemerkt.
Ten slotte constateert de Hoge Raad een overschrijding van de redelijke termijn en vermindert hij de opgelegde geldboete en de duur van de vervangende hechtenis. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de geldboete en vervangende hechtenis, deze worden verminderd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.