ECLI:NL:HR:2011:BN8711
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Geen schending gemeenschapsrecht bij dubbele successierechten Nederland en België
Belanghebbende erfde een vierde deel van de nalatenschap van zijn vader, die in België woonde en in 2002 overleed. Tot de nalatenschap behoorde ook een aandelenpakket in een Nederlandse besloten vennootschap die als onroerendezaaklichaam werd aangemerkt. Zowel Nederland als België legden successierecht op de verkrijging van deze aandelen.
De Inspecteur verleende geen vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor de in België geheven successierechten. De Rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de uitspraak van de Inspecteur. De Hoge Raad werd gevraagd hierover te oordelen in cassatie.
De Hoge Raad stelde vast dat geen sprake was van directe of indirecte discriminatie door Nederland. De dubbele heffing ontstond door de verschillende aanknopingspunten van Nederland (nationaliteit) en België (laatste woonplaats) en het ontbreken van een belastingverdrag tussen beide landen. Het gemeenschapsrecht bevat geen harmonisatiemaatregelen ter voorkoming van dubbele successierechten in deze situatie.
Daarom oordeelde de Hoge Raad dat het Nederlandse belastingstelsel niet aangepast hoeft te worden om dubbele belasting te voorkomen en dat de Rechtbank terecht geen schending van het gemeenschapsrecht aannam. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard; geen schending van het gemeenschapsrecht bij dubbele successierechten.