ECLI:NL:PHR:2011:BN8711
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de Nederlandse successieregeling inzake aandelen in onroerendezaaklichaam en dubbele belastingheffing
Belanghebbende, erfgenaam van een in België woonachtige erflater met Nederlandse nationaliteit, werd geconfronteerd met dubbele successierechtenheffing over aandelen in een Nederlands onroerendezaaklichaam. Nederland paste de woonplaatsfictie toe, waardoor de nalatenschap in Nederland werd belast, terwijl België ook successierechten hief. De Nederlandse Inspecteur weigerde voorkoming van dubbele belasting voor de aandelen vanwege de fictieve kwalificatie als onroerend goed.
De Rechtbank oordeelde dat deze regeling niet in strijd is met het gemeenschapsrecht, met name artikel 56 EG Pro-Verdrag, omdat lidstaten autonomie hebben in hun belastingstelsels en geen harmonisatie bestaat. De woonplaatsfictie is toegestaan mits voorkoming van dubbele belasting wordt verleend, wat hier niet het geval was voor de aandelen.
Belanghebbende stelde dat de Nederlandse regeling onrechtvaardig is omdat België aandelen als roerend vermogen belast en Nederland als onroerend, wat leidt tot dubbele belasting zonder compensatie. Tevens zou de regeling strijdig zijn met het internationaal erkende situsbeginsel en het vrije kapitaalverkeer.
De Advocaat-Generaal analyseerde uitgebreid jurisprudentie van het HvJ EG en concludeerde dat hoewel successies kapitaalverkeer vormen, de Nederlandse regeling geen verboden beperking oplevert. De dubbele belasting is het gevolg van het gelijktijdig heffen door twee lidstaten met verschillende kwalificaties en kan alleen door harmonisatie of verdragen worden opgelost. De cassatie wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de Nederlandse regeling niet in strijd is met het EU-recht.