Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over de verwerping van het verweer dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verminderd met de bedragen die in de strafzaak zijn toegewezen als vorderingen van benadeelde partijen.
(…)
Vorderingen benadeelde partijen
nietom een kwestie van rechtsherstel. Het hof heeft naar mijn inzicht het recht niet onjuist toegepast. Het gaat thans alleen om nadien gewijzigde omstandigheden. [12] De cassatieprocedure is niet bedoeld voor de behandeling van kwesties als deze; precies daarvoor is nou juist voorzien in een separate verzoekschriftprocedure bij de gespecialiseerde ontnemingsrechter.
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht.”
Bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, worden aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen alsmede de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer als bedoeld in artikel 36f voor zover die zijn voldaan, in mindering gebracht.”
tweede middelklaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken door het hof te laat zijn ingezonden.
de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaakstrafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn. [20]