ECLI:NL:HR:2011:BQ3158
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- B.C. de Savornin Lohman
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn en bekentenis verdachte
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot zwaar lichamelijk letsel met voorbedachten rade en het bezit van door misdrijf verkregen goederen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verklaring van de verdachte, waarin hij verklaarde "de overige feiten geef ik toe", als een duidelijke bekentenis kan worden uitgelegd. Dit betekent dat het hof volstaan mocht met een opgave van bewijsmiddelen conform art. 359, derde lid, Sv.
Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6 EVRM Pro is overschreden doordat de stukken te laat werden ingezonden en de uitspraak pas na meer dan zestien maanden na het cassatieberoep volgde. Dit leidt tot vermindering van de gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en vermindert deze tot 46 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 27 september 2011.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 46 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.