Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof ten aanzien van dit feit ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de raadsvrouwe van de verdachte voor dit feit vrijspraak heeft bepleit. Het
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof ook ten aanzien van dit feit ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de raadsvrouwe van de verdachte voor dit feit vrijspraak heeft bepleit. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
derde middelbehelst de klacht dat hof ten aanzien van feit 13, in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpassen en de geldopnames wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de insluiping en de diefstal van de voorwerpen uit de woning. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring van feit 13 onvoldoende met redenen omkleed.
vierde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.