ECLI:NL:PHR:2015:1401

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2015
Publicatiedatum
18 augustus 2015
Zaaknummer
14/05531
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 415 SvArt. 27 SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt bewezenverklaringen en verwijst terug in meervoudige diefstalzaak

De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld voor meerdere feiten van diefstal, waaronder woninginbraken en insluipingen, met een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 16 voorwaardelijk. De zaak betreft onder meer diefstallen waarbij de verdachte zich toegang verschafte door braak en het gebruik van valse sleutels.

In cassatie werden vier middelen voorgesteld, waarvan twee slaagden. De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte volstond met een opgave van bewijsmiddelen voor feiten 2 en 5, terwijl de verdediging voor deze feiten vrijspraak had bepleit. Hierdoor waren de bewezenverklaringen onvoldoende gemotiveerd.

Een derde middel over de bewezenverklaring van feit 13 werd verworpen; het hof had op begrijpelijke wijze geoordeeld dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan insluiping en diefstal, mede gelet op herkenning op camerabeelden en het korte tijdsverloop tussen diefstal en geldopnames.

Het vierde middel betrof overschrijding van de redelijke termijn, wat werd erkend, maar de Hoge Raad liet dit onbesproken omdat de zaak door het slagen van andere middelen opnieuw behandeld zal worden.

De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak voor wat betreft feiten 2 en 5 en de strafoplegging, en verwijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling. Voor het overige wordt het cassatieberoep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de bewezenverklaringen van feiten 2 en 5 en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

Nr. 14/05531
Zitting: 26 mei 2015
Mr. Bleichrodt
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 22 januari 2014 de verdachte wegens 3, 4, 6, 9, 10, 13 eerste cumulatief/alternatief, 15, 16 eerste cumulatief/alternatief, 17 eerste cumulatief/alternatief en 19 eerste cumulatief/alternatief “diefstal, meermalen gepleegd”, 13 tweede cumulatief/alternatief, 16 tweede cumulatief/alternatief en 19 tweede cumulatief/alternatief “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd”, 2, 5, 11, 12 en 14 “diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak/verbreking/inklimming, meermalen gepleegd”, 7 en 18 “diefstal, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, meermalen gepleegd” en 8. “diefstal, gevolgd van geweld met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 16 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals in het arrest omschreven, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro en met bewaring ten behoeve van de rechthebbende van in beslag genomen voorwerpen, zoals in het arrest omschreven. Voorts heeft het hof de vorderingen van vier benadeelde partijen toegewezen, aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd en één benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, één en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Deze strafzaak hangt samen met de ontnemingszaak tegen de verdachte (nr. 14/05453 P) en met de ontnemingszaak tegen de medeverdachte [betrokkene 1] (nr. 14/05447 P), waarin ik vandaag eveneens concludeer.
3. Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld en heeft mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
4. Het
eerste middelbehelst de klacht dat de bewezenverklaring van feit 2 onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof ten aanzien van dit feit ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de raadsvrouwe van de verdachte voor dit feit vrijspraak heeft bepleit. Het
tweede middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van feit 5 onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof ook ten aanzien van dit feit ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen zoals bedoeld in art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv, nu de raadsvrouwe van de verdachte voor dit feit vrijspraak heeft bepleit. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
5. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezen verklaard dat:
“hij op 17 juni 2011 te Moordrecht met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning, gelegen aan de [a-straat 1] heeft weggenomen een (dames) horloge (goud), toebehorende aan [slachtoffer 9] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door een bovenlicht open te wrikken.”
6. Voorts is ten laste van de verdachte onder 5 bewezen verklaard dat:
“hij op 22 februari 2011 te Gouda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een woning gelegen aan de [b-straat 1] heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, waaronder een geldbedrag van 100 euro, en kettingen en armbanden en een dameshorloge (merk Esprit), toebehorende aan [slachtoffer 10] , zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft door de kozijnen van die woning open te breken.”
7. De bestreden (promis)uitspraak houdt ten aanzien van de bewijsvoering van de feiten 2 en 5 (met weglating van de voetnoten) het volgende in:
“Ten aanzien van de feiten 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14 en 15:
Nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep de onder 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10, 11, 12, 14 en 15 ten laste gelegde feiten heeft bekend en de verdediging terzake geen vrijspraak heeft bepleit, zal het hof terzake van deze feiten op grond van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 2
1. Het proces-verbaal van de op 8 januari 2014 in hoger beroep gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.
2. Proces-verbaal van aangifte, pag. 633-634.
3. Proces-verbaal van sporenonderzoek, pag. 639-640.
(…)
Ten aanzien van feit 5
1. Het proces-verbaal van de op 8 januari 2014 in hoger beroep gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, inhoudende de bekennende verklaring van de verdachte.
2. Proces-verbaal van aangifte, pag. 676-678.
3. Proces-verbaal sporenonderzoek, pag. 682-683.”
8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover hier van belang, als verklaring van de verdachte het volgende in:
“De overige ten laste gelegde woninginbraken en woninginsluipingen kloppen.
U houdt mij die zaken voor.
De in hoger beroep onder 2, 3, 4, 5, 6, 7,9, 10, 11, 12, 14 en 15 aan de orde zijnde ten laste gelegde feiten kloppen. Ik schaam mij daarvoor. Ik vind het heel erg voor die mensen Ik stond meestal op de uitkijk en dacht aan de schulden van mijn broer. Ik vond het stoer om mee te doen met de groep.”
9. Zoals blijkt uit haar op die terechtzitting overgelegde pleitnota, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte van feit 2 en van feit 5 dient te worden vrijgesproken, aangezien het enige bewijsmiddel in deze zaken een sigarettenpeuk betreft, die buiten op het trottoir (feit 2) respectievelijk in de tuin (feit 5) is aangetroffen en waarop DNA van de verdachte is aangetroffen. Gezien de vindplaats van de peuk betreft dit niet per se een daderspoor, aldus de raadsvrouwe. [1]
10. Uit de hiervoor onder 7 weergegeven overwegingen blijkt dat het hof toepassing heeft gegeven aan art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv, welke bepaling ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep toepasselijk is. Op grond van deze bepaling kan het hof volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, voor zover de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, tenzij hij nadien anders heeft verklaard dan wel hij of zijn raadsman vrijspraak heeft bepleit.
11. In het licht van de wetsgeschiedenis moet art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv aldus worden verstaan dat slechts kan worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, indien de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, tenzij sprake is van de aan het slot van die bepaling genoemde gevallen. [2] De beantwoording van de vraag of de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend in de zin van voornoemde bepaling is mede afhankelijk van de uitleg door de feitenrechter van de door de verdachte afgelegde verklaring. Deze uitleg kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [3]
12. Uit de bewoordingen van art. 359, derde lid, tweede volzin, Sv volgt dat deze bepaling in ieder geval geen toepassing kan vinden indien door of namens de verdachte ter terechtzitting vrijspraak is bepleit.
13. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep het onder 2 en 5 bewezen verklaarde (duidelijk en ondubbelzinnig) heeft bekend en dat de verdediging ter zake van deze feiten geen vrijspraak heeft bepleit. Gelet op de hiervoor onder 9 weergegeven verweren van de raadsvrouwe van de verdachte, is dit oordeel niet begrijpelijk. De raadsvrouwe heeft immers bepleit dat de verdachte van feit 2 en van feit 5 dient te worden vrijgesproken. Aan de onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof doet niet af dat de verdachte op de terechtzitting in hoger beroep voorafgaande aan het pleidooi van zijn raadsvrouwe de desbetreffende feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Gelet op het voorgaande en in het licht van hetgeen hiervoor onder 12 is voorop gesteld, heeft het hof in strijd met art. 359, derde lid, Sv volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. Derhalve zijn de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 5 onvoldoende met redenen omkleed. [4]
14. Beide middelen slagen.
15. Het
derde middelbehelst de klacht dat hof ten aanzien van feit 13, in het licht van hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, op onbegrijpelijke wijze heeft geoordeeld dat het gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpassen en de geldopnames wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de insluiping en de diefstal van de voorwerpen uit de woning. Volgens de steller van het middel is de bewezenverklaring van feit 13 onvoldoende met redenen omkleed.
16. Ten laste van de verdachte is onder 13 bewezen verklaard dat:
“hij op 20 september 2011 te Hilversum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een agenda en rijbewijs en een portemonnee met bankpassen, toebehorende aan [slachtoffer 8] ;
en
hij op 20 september 2011 te Hilversum met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een totaal geldbedrag van 995 euro, toebehorende aan [slachtoffer 8] , zulks na zich het weg te nemen geld telkens onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten door meermalen gebruik te maken van de bankpas van [slachtoffer 8] , terwijl hij tot het gebruik van die pinpas (steeds) niet gerechtigd-was.”
17. Zoals blijkt uit haar op die terechtzitting overgelegde pleitnota, heeft de raadsvrouwe van de verdachte bepleit dat de verdachte van de diefstal uit de woning (het eerste onderdeel van feit 13) dient te worden vrijgesproken, aangezien het tijdsverloop tussen de insluiping en het pinnen dermate groot is dat niet kan worden gesteld dat (indien al zou kunnen worden bewezen dat de verdachte één van de personen is die heeft gepind met de gestolen pas) het niet anders kan dan dat deze personen eveneens verantwoordelijk zijn voor de insluiping. De raadsvrouwe heeft daartoe het volgende aangevoerd. Blijkens de aangifte moet de diefstal uit de woning op 20 september 2011 tussen 9:00 uur en 14:30 uur hebben plaatsgevonden, terwijl het pinnen om 14:26 uur heeft plaatsgevonden. Het feit dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het in zijn bezit hebben van een gestolen bankpas, kan geen redengevende omstandigheid opleveren ten aanzien van eventuele betrokkenheid bij de inbraak, omdat de verdachte betwist degene te zijn die heeft gepind. [5]
18. De bestreden (promis)uitspraak houdt (met weglating van de voetnoten) ten aanzien van de bewijsvoering van feit 13 het volgende in:
“Op 20 september 2011 heeft vóór 14.16 uur een insluiping plaatsgevonden in de woning van [slachtoffer 8] aan de [c-straat 1] te Hilversum, waarbij een agenda, een rijbewijs en een portemonnee met bankpassen zijn weggenomen. Op de chipknip van de gestolen bankpas is op 20 september 2011, om 14.25 uur, een bedrag van € 495,- geladen. Voorts is met de gestolen bankpas op 20 september 2011, om 14.24 uur en 14.16 uur tweemaal een bedrag van € 250,- gepind. Van het pinnen zijn opnamen gemaakt met beveiligingscamera's, welke zijn getoond in het televisieprogramma Opsporing Verzocht. De verdachte is op deze beelden door vier opsporingsambtenaren, afzonderlijk van elkaar, herkend.
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep - overeenkomstig de overlegde pleitnota - primair aangevoerd dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken en subsidiair dat bij een bewezenverklaring het weggenomen geldbedrag beperkt moet worden tot het gepinde bedrag van € 250,-.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt vast dat het de verdachte is geweest die deze transactie (om 14.16 uur) heeft uitgevoerd. In het licht van het voorgaande kan het niet anders zijn dan dat de verdachte ook de hierna uitgevoerde transacties (om 14.24 en 14.25 uur) heeft verricht.
Gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpassen en de geldopnames en het laden van de chipknip acht het hof op grond van het vorenstaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 13, eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde feiten, derhalve, anders dan de raadsvrouw, ook voor het totaalbedrag van € 995,--.”
19. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden voorop gesteld. Aan het enkele voorhanden hebben van gestolen goederen kan niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat de verdachte die goederen ook zelf heeft gestolen. Voor de beoordeling van de betekenis die aan dat voorhanden hebben moet worden gehecht, zijn de feiten en omstandigheden van het geval van belang. [6] Het oordeel van de feitenrechter dat de verdachte, die korte tijd na een diefstal wordt aangetroffen in het bezit van het gestolen goed, dit goed zelf heeft gestolen, is een feitelijk oordeel dat in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst. [7]
20. In de hiervoor onder 18 weergegeven overwegingen, in samenhang bezien met de bewezenverklaring van het eerste onderdeel van feit 13, heeft het hof geoordeeld dat het gelet op het zeer korte tijdsverloop tussen de diefstal van de bankpassen enerzijds en de geldopnames en het laden van de chipknip met één van die bankpassen anderzijds wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de diefstal van de agenda, het rijbewijs en de portemonnee met bankpassen uit de woning van [slachtoffer 8] .
21. Dit oordeel is in het licht van hetgeen hiervoor onder 19 is voorop gesteld niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof feitelijk heeft vastgesteld dat de insluiping in de woning van [slachtoffer 8] , waarbij een agenda, een rijbewijs en een portemonnee met bankpassen zijn weggenomen, op 20 september 2011 vóór 14:16 uur heeft plaatsgevonden en dat de verdachte op 20 september 2011 om 14:16 uur, om 14:24 uur en om 14:25 uur door te pinnen en te chippen gebruik heeft gemaakt van één van die gestolen bankpassen van [slachtoffer 8] . De verdachte heeft op de terechtzitting in hoger beroep weliswaar ontkend dat hij degene is die staat afgebeeld op de camerabeelden van de desbetreffende pintransacties, maar het hof heeft deze ontkenning kennelijk niet aannemelijk geacht, omdat de verdachte op die camerabeelden door vier opsporingsambtenaren is herkend. Gelet op de op 20 september 2011 bij de politie afgelegde verklaring van [slachtoffer 8] , die in de voetnoten 12 en 14 voor het bewijs is gebruikt en inhoudt dat de diefstal op 20 september 2011 tussen 12:30 uur en 14:30 uur heeft plaatsgevonden, en de vaststelling van het hof dat de diefstal vóór 14:16 uur heeft plaatsgevonden, is er tussen beide feiten minder dan twee uren verstreken. Voorts is de diefstal in dezelfde plaats (Hilversum) geschied als het gebruik van de bankpas. Uit voornoemde aangifte van [slachtoffer 8] volgt dat de diefstal heeft plaatsgevonden op het adres [c-straat 1] in Hilversum, terwijl uit het voor het bewijs gebruikte bankoverzicht betreffende bij- en afschrijvingen van 21 september 2011 (voetnoot 14) blijkt dat één van de pintransacties plaatsvond op het adres [d-straat 1] in Hilversum. Een korte zoekactie op internet [8] leert dat beide adressen slechts 2,5 kilometer en zes (auto)minuten van elkaar verwijderd zijn, zodat de pleegplaatsen van beide feiten dicht bij elkaar zijn gelegen. Daarbij merk ik voorts nog op dat de verdachte voor in totaal achttien woninginbraken en woninginsluipingen is veroordeeld. In een aantal gevallen heeft de verdachte vervolgens met de daarbij gestolen pinpassen geldbedragen opgenomen. Bij deze feiten is steeds dezelfde “modus operandi” gehanteerd, waarbij mensen in de leeftijd tussen de 75 en de 90 jaar in hun eigen huis van onder meer bankpassen zijn beroofd. De onderhavige woninginbraak past in dit beeld, waarbij ik opmerk dat de daarbij ontvreemde bankpas toebehoorde aan de toentertijd 86 jaar oude [slachtoffer 8] , terwijl kort na de diefstal de verdachte met de bankpas van [slachtoffer 8] geld heeft opgenomen.
22. Anders dan de steller van het middel aanvoert, was het hof gelet op hetgeen de raadsvrouwe van de verdachte ter onderbouwing van het in het middel bedoelde verweer naar voren heeft gebracht, niet gehouden tot een nadere motivering. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat het de verdachte is geweest die 20 september 2011 in Hilversum met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een agenda, een rijbewijs en een portemonnee met bankpassen van [slachtoffer 8] heeft weggenomen. De bewezenverklaring van feit 13 is (ook) in zoverre voldoende met redenen omkleed. [9]
23. Het middel faalt.
24. Het
vierde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
25. Namens de verdachte, die zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep in voorlopige hechtenis bevond, is op 5 februari 2014 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 4 november 2014 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, zodat de inzendingstermijn van zes maanden is overschreden. [10] Dit brengt mee dat de redelijke termijn zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM inderdaad is overschreden. Het middel is terecht voorgesteld.
26. De Hoge Raad kan dit middel in het onderhavige geval evenwel onbesproken laten. Gelet op het slagen van het eerste en het tweede middel, kan het tijdsverloop immers bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde worden gesteld. [11]
27. Het eerste, het tweede en het vierde middel slagen. Het derde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
28. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 2 en 5 ten laste gelegde feiten en de strafoplegging, en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. Voor het overige strekt deze conclusie tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Pleitnota in hoger beroep van 8 januari 2014, p. 8.
2.Vgl. HR 3 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1277, rov. 3.2.2 en HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2053, rov. 2.4.
3.Vgl. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5956, rov. 2.3, HR 27 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3158,
4.Vgl. HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773, rov. 2, HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1580, rov. 2, HR 18 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:354, rov. 2, HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2215, rov. 2, HR 8 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR2215,
5.Pleitnota in hoger beroep van 8 januari 2014, p. 11-12.
6.Vgl. HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:10, rov. 2.3, HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6625, rov. 2.3, HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY0102, rov. 2.3 en HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2880,
7.Vgl. HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6126,
8.Zie www.google.nl/maps.
9.Vgl. HR 9 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2685 (middel 1, art. 81 RO Pro), HR 18 februari 2014, nr. 12/00271 (niet gepubliceerd) (eerste klacht van middel 2, art. 81 RO Pro), HR 9 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6625, rov. 2 en HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013: BY0102, rov. 2
10.Ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie was de verdachte niet langer gedetineerd. Dit betekent dat voor de uitspraaktermijn in cassatie een termijn van twee jaren geldt. Deze termijn is niet overschreden.
11.Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,