ECLI:NL:HR:2012:BV3556
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid cassatieberoep bij te late griffierechtsbetaling door verwarring gerechtelijke administratie
In deze zaak heeft verzoeker cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de rechtbank. Volgens de wettelijke regeling moest het griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift worden voldaan. Verzoeker betaalde het griffierecht echter pas na deze termijn, waardoor het beroep in beginsel niet-ontvankelijk zou zijn.
De advocaat van verzoeker stelde dat verwarringwekkende informatie van de gerechtelijke administratie, met name een griffierechtnota waarin een betalingstermijn van 28 dagen na dagtekening stond vermeld, heeft geleid tot de te late betaling. De Hoge Raad verwees naar een eerdere uitspraak (HR 4 november 2011, LJN BU3348) waarin een soortgelijke situatie aan de orde was en toepassing van de sanctie van niet-ontvankelijkheid werd afgewezen wegens onbillijkheid van overwegende aard.
Op grond van deze overwegingen oordeelde de Hoge Raad dat ook in deze zaak het beroep ontvankelijk moet worden verklaard. De procedure wordt voortgezet, waarbij de Hoge Raad de advocaat van verzoeker de gelegenheid zal geven een verweerschrift in te dienen.
De uitspraak benadrukt het belang van billijkheid bij de toepassing van formele sancties en erkent dat verwarring door gerechtelijke instanties kan leiden tot uitzonderingen op de strikte regels omtrent griffierechtsbetalingen.
Uitkomst: Verzoeker wordt ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep ondanks te late griffierechtsbetaling wegens onbillijkheid.