Conclusie
het eerste middel
het tweede middel
het derde middel
het vierde middel
het vijfde middel
het zesde middel
het zevende middel
het eerste middel
het tweede, het derde en het vierde middel
het vijfde middel
I. Inleiding
Feit 1. De Internationale criminele organisatie- onder 1.A: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van terroristische misdrijven”, - onder 1.B: “Deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”; en
Feit 2. De nationale criminele organisatie- onder 2: “Het als leider en/of bestuurder deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”.
geenbetrekking hebben maar waarover het hof wel beslissingen heeft genomen, daar die onderdelen niet los gemaakt kunnen worden van het grotere geheel. Daarbij wijs ik erop dat het hof het opportuun heeft geacht de in alle vijf zaken gevoerde verweren en gedane verzoeken, waar het niet de individuele rol van de verdachten betreft, gemeenschappelijk te bespreken. Het Openbaar Ministerie heeft namelijk in hoger beroep voor alle vijf verdachten een gelijkluidend requisitoir gehouden over de juridische context en de rechtsvragen, terwijl de raadslieden in hoger beroep tijdens de pleidooien en het nemen van dupliek (met toestemming van het hof) bij elkaar aansluiting hebben gezocht op de gevoerde verweren. Het in elke afzonderlijke zaak (en dan ook nog op verschillende wijzen) versnipperen van het totale feitencomplex tot slechts die (onder)delen waartegen de ingediende middelen zich specifiek richten, zou denk ik ten koste gaan van een helder overzicht van en inzicht in (de problematiek van) de zaak en de leesbaarheid van mijn conclusies. In de onderhavige zaak en de samenhangende zaken, behoudens die tegen de medeverdachte [S. R.] (in die zaak is enkel door het Openbaar Ministerie cassatieberoep ingesteld en een vijftal middelen voorgesteld), heb ik er om die reden voor gekozen de middelen die namens de verdachte zijn voorgesteld op onderdelen gezamenlijk te bespreken met de daarvoor in aanmerking komende middelen van de medeverdachten. In de voorkomende gevallen, zal ik dat duidelijk aangeven.
internationalecriminele organisatie” tenlastegelegde feiten aldus uitgelegd dat het oogmerk in onderdeel 1A betrekking heeft op het plegen van terroristische misdrijven en het oogmerk in onderdeel 1B op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. [5] Onder “2. De
nationalecriminele organisatie” gaat het naar het oordeel van het hof enkel om het oogmerk op het plegen van ‘gewone’ misdrijven. De feiten waarop het oogmerk van de internationale criminele organisatie onderscheidenlijk de nationale criminele organisatie was gericht – althans gericht zou zijn geweest – zijn in de tenlastelegging onder 1A, 1B en 2 telkens door middel van letters van elkaar onderscheiden maar verder in vrij algemene bewoordingen tot uitdrukking gebracht. Wel kunnen ze nader worden ingevuld aan de hand van de gebeurtenissen zoals deze op de terechtzittingen van het hof en in diens arrest zijn besproken. Ik zal daarom in het hiernavolgende niet de tenlastelegging wat betreft de feiten 1A, 1B en 2 integraal aanhalen, maar de daarin besloten liggende beschuldigingen ten aanzien van de verdachte in eigen bewoordingen en geconcretiseerd naar die gebeurtenissen weergeven, waarbij ik uiteraard wel de lijn van de tenlastelegging volg. [6]
- (b), (c) en (d) het plegen van aanslagen en aanvallen op burgerdoelen, zoals
Waar dan ook zullen wij met precisie aanvallen.” (Heldendag Amsterdam)
international humanitarian law,ook wel aangeduid als
international law of armed conflict. [26] Ik houd het verder bij de internationaal gangbare benaming
international humanitarian law,hierna ook wel afgekort tot IHL.
internationaalgewapend conflict; de andere vier middelen richten hun vizier op de bijzondere positie van leden van een strijdmacht in een
niet-internationaalgewapend conflict. Het onderscheid tussen de drie middelen enerzijds en de vier middelen anderzijds komt dus voort uit het verschil in karakter van het gewapende conflict.
internationaalgewapend conflict. Van de drie middelen is er één – het eerste middel – voorgesteld in de onderhavige zaak, één in de samenhangende zaak [T. E.] (nr. 15/04691) en één in de samenhangende zaak [R. S.] (nr. 15/04692). Al deze drie middelen berusten op de rechtsopvatting dat het gewapende conflict in Sri Lanka – anders dan het hof heeft geoordeeld – moet worden aangemerkt als een internationaal gewapend conflict. Het middel dat in de onderhavige zaak van de verdachte is voorgesteld voert aan dat het internationale karakter blijkt uit het gegeven dat sprake was van een gewapend conflict tussen twee staten, te weten tussen Sri Lanka enerzijds en de LTTE als
de factostaat anderzijds, en voorts doordat India zich in het gewapende conflict in Sri Lanka had gemengd. In afwijking daarvan baseren het eerste middel in de zaak- [R. S.] en het gelijkluidende eerste middel in de samenhangende zaak- [T. E.] [27] zich op het bepaalde in art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I. Aan de (overige) vier van de zeven middelen ligt de rechtsopvatting ten grondslag dat leden van een strijdmacht in een
niet-internationaalgewapend conflict – als het gaat om de toepasselijkheid van het commune strafrecht – dezelfde bijzondere positie toekomt als leden van een strijdmacht in een internationaal gewapend conflict. Deze vier middelen gaan er – het zij nu reeds opgemerkt – met het hof van uit dat het gewapende conflict een niet-internationaal karakter heeft, dat wil zeggen een intern gewapend conflict is. Ik kom daarop terug in § II.3.
combattant immunityof combattanten privilege, [28] veelal de combattantenstatus genoemd. De combattantenstatus is in de Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp voor de Nederlandse goedkeuringswet van Aanvullend Protocol I als volgt uiteengezet:
[…]”
het eerste middel
de factoeen staat was en er tevens om die reden sprake was van een internationaal gewapend conflict.
de factoals een staat moet worden aangemerkt, daar “het een feit [is] dat tussen 1990 en 2006 […] de LTTE een de facto Staat in het noordoosten van Sri Lanka constitueerde, waarin de LTTE ook een de facto administratie onderhield” en de LTTE aan alle eisen voldoet die krachtens internationaal recht worden gesteld om als staat te worden erkend.
10.4.3. Internationaal gewapend conflict in de zin van Aanvullend Protocol I
belligerent’) te verkrijgen is het noodzakelijk om te beschikken over ten minste internationale rechtspersoonlijkheid (dus onderwerp van internationaal recht zijn) en ook (door de effecten van de oorlog) te zijn onderworpen zijn aan de regels toepasselijk in een gewapend conflict.
de factocontrole uitoefenen over een deel van het grondgebied van een staat. Zoals in dit verband eerder werd overwogen, wordt in art. 1 AP Pro I het toepassingsgebied van het humanitair oorlogsrecht in internationaal gewapende conflicten enigszins uitgebreid. Naast toepassing in internationaal gewapende conflicten, zoals bedoeld in de vier Geneefse Verdragen, is AP I van toepassing in gewapende conflicten waarin volkeren, kort gezegd, vechten o.a. tegen een racistisch regime in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking (art. 1 lid 4 AP Pro I); de zogeheten ‘bevrijdingsoorlogen’.
ius in bellowordt gemaakt tussen enerzijds combattanten (strijdkrachten) en militaire doelen en anderzijds burgers (niet-combattanten) en burgerobjecten die bescherming genieten. De traditionele definitie van strijdkrachten (‘
armed forces’) is gebaseerd op het Reglement uit 1907 behorende bij het Haags Verdrag (IV) nopens de wetten en gebruiken behorende bij den oorlog te land en art. 4 lid Pro A, sub 1 van Genève III betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, welke bepaling inhoudt (in de Nederlandse vertaling):
levée en masse(vide art. 2 van Pro het Reglement):
armed forces), groepen en eenheden die onder een bevel staan en (ii), die onderworpen zijn aan een intern krijgstuchtrechtelijk systeem dat, onder meer, de naleving moeten afdwingen van de regels van het internationale recht die van toepassing [zijn] in geval van gewapende conflicten.
racist regimes’ als bedoeld in art. 1 lid 4 AP Pro I. Het openbaar ministerie heeft ook dit standpunt gemotiveerd betwist.
racist regimes’ gevallen bestrijkt van regimes die zijn gebaseerd op racistische criteria en waarbij er sprake is van hegemonie van de ene bevolkingsgroep over de andere op basis van racistische ideeën. Het internationaal recht kent voorts een algemeen verbod op rassendiscriminatie, als vervat in de Universele Verklaring voor van de Rechten van de Mens (artt. 2 en 7), dat tevens de basis vormde van diverse internationale verdragen, waaronder het IVBPR (artt. 2 lid 1, 3 en 26) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (artt. 2 lid 2, 3, 10 lid 3). Het verbod op discriminatie is een kern van de mensenrechten. Het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie geeft in art. 1 lid 1 een Pro definitie van rassendiscriminatie:
Basic principles of the legal status of combatants struggling against colonial and alien domination and racist régimes’. Deze resolutie plaatst een racistisch regime in het kader van de apartheid en raciale onderdrukking ‘‘
Stressing that the policy of apartheid and racial oppression has been condemned by all countries and peoples, and that the pursuing of such policy has been recognised as an international crime”.
racist regimes’ als bedoeld in art. 1 lid 4 AP Pro I betrekking heeft op regimes (Staat of overheid) die zijn gebaseerd op racistische criteria, hetgeen naar het oordeel van het hof zoveel wil zeggen dat dit regime zich schuldig maakt aan raciale discriminatie als vorenbedoeld. Indien is vastgesteld dat het gaat om een regime dat is gegrondvest op racistische criteria, dan moet vervolgens worden bepaald of dit regime hegemonie uitoefent over het andere deel van de bevolking.
vervolgensoverweegt het hof (arrest, p. 51):
volgtzijn overwegingen die betrekking hebben op de artikelen 43 en 44 Aanvullend Protocol I, en het zijn deze overwegingen waartegen de voormelde motiveringsklachten- [R. S.] / [T. E.] zich keren. Die overwegingen komen er op neer dat de LTTE niet als combattant kan worden aangemerkt omdat de LTTE zich heeft schuldig gemaakt aan terroristische misdrijven en andere ernstige schendingen van IHL. Het hof sluit
dezeoverwegingen als volgt af (arrest, p. 55):
ookomdat de LTTE zich schuldig heeft gemaakt aan terroristische misdrijven en andere ernstige schendingen van IHL.
allebevrijdingsoorlogen, doch alleen tot bevrijdingsoorlogen die voldoen aan de in het vierde lid van art. 1 genoemde Pro criteria.
de andere bepalingenvan het protocol evenmin van toepassing zijn. Het hof gaat echter niet zo ver en overweegt in onderdeel 10.4.3.3.1. van het arrest dat het feit dat Sri Lanka Aanvullend Protocol I niet heeft geratificeerd er niet aan in de weg staat dat “een verzets- of bevrijdingsbeweging in Sri Lanka rechtsgeldig een eenzijdige verklaring als bedoeld in art. 96 lid 3 AP Pro I kan afleggen, nu Sri Lanka wel partij is bij de Geneefse Conventies.” [49] Van een dergelijke rechtsgeldige verklaring is evenwel in dit concrete geval geen sprake, aldus het hof, omdat “niet aannemelijk is geworden dat de verklaring […] aan het formele vereiste van verzending aan de depositaris van het Protocol, te weten de Zwitserse Bondsraad, voldoet”. Maar dat doet niet af aan het uitgangspunt van het hof dat de LTTE door het afleggen van een verklaring als bedoeld in art. 96, derde lid, AP I eenzijdig de toepasselijkheid van Aanvullend Protocol I op het gewapende conflict had kunnen bewerkstelligen. Dit uitgangspunt brengt als consequentie mee dat een verzets- of bevrijdingsbeweging in Sri Lanka, zoals de LTTE, op die manier aan het gewapende conflict een internationaal karakter kan geven.
bevolking(het volk) in een gewapend conflict is met een racistisch regime. (Niet is aangevoerd, noch is aannemelijk, dat de LTTE was verwikkeld in een gewapend conflict tegen koloniale overheersing of vijandelijke bezetting waarop art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I eveneens betrekking heeft). Van een racistisch regime in Sri Lanka, zo heeft het hof in zoveel woorden overwogen, was echter geen sprake. In
de onderhavige zaakwordt in het eerste middel aangevoerd dat het hof Sri Lanka ten onrechte niet als een racistisch regime in de zin van art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I heeft aangemerkt. Daaraan gaat echter een andere vraag vooraf, waarvan het antwoord maakt dat ik aan de beoordeling van
die klachtniet toekom.
had led to the view(cursivering van mij, AG), even before the Protocol, that common Article 2, paragraph 3, of the Conventions opened also to national liberation movements a possibility to accept the Conventions.” [52]
zou, aldus het ICRC commentaar, gemeenschappelijk artikel 2 zo Pro ruim
kunnen wordenuitgelegd dat de situatie waarin de bevolking tegen een racistisch regime vecht onder het begrip internationaal gewapend conflict kan worden begrepen. Het commentaar geeft hier dus slechts een mogelijke benadering weer en niet de stand van zaken naar geldend internationaal recht, zoals ook blijkt uit de aansluitende alinea van het commentaar waarin wordt verwezen naar “the advocates of this solution”.
NJ2007/10 m.nt. Keijzer (sub 4.19), volgens wie onder verwijzing naar het ICRC-commentaar het feit dat Irak en de V.S. Protocol I niet hadden geratificeerd geen beletsel was voor een verzets- of bevrijdingsbeweging in Irak om rechtsgeldig een eenzijdige verklaring als bedoeld in art. 96, derde lid, af te leggen, nu Irak en de V.S. partij waren bij de Geneefse Conventies. Op dit punt kom ik in de randnummers 103-105 terug.
nietzijn doorgestuurd aan de partijen.
internationaalgewapend conflict – zelfs niet indien deze op de juiste wijze zou zijn gedaan (
quod non) – reeds omdat Sri Lanka geen partij is bij Aanvullend Protocol I. [63] David schrijft: “Il est, hélas, également logique que les Etats aux prises avec une guerre de libération nationale ne risquent guère d’adhérer au 1er PA […].” [64] Ik begrijp deze opmerking aldus: door partij te worden bij Aanvullend Protocol I loopt een staat het risico dat de gewapende oppositiegroep aanspraak kan maken op de rechten die hem in dat protocol worden toegekend. En omgekeerd: door geen partij te worden bij Aanvullend Protocol I voorkomt een staat dat de gewapende oppositiegroep die rechten kan inroepen.
NJ2007/10 m.nt. Keijzer verwierp de Hoge Raad het beroep op de combattantenstatus en overwoog daarbij:
conclusion of peacebereikt is”. In de toelichting op het middel wordt bovendien nog een afzonderlijke motiveringsklacht aangevoerd, te weten dat het oordeel van het hof dat er “geen feiten en omstandigheden aannemelijk [zijn] geworden waaruit blijkt van enige (substantiële) militaire of anderszins oorlogsrechtelijk relevante rol van India in het gewapend conflict op Sri Lanka na maart 1990” nader gemotiveerd had moeten worden gelet op een ter terechtzitting van het hof overgelegd deskundigenrapport waarin volgens de deskundige “van het begin af aan overduidelijk sprake geweest [is] van internationale inmenging in het conflict” en dat die inmenging tot op de dag van vandaag voortduurt.
twee Statenbij het gewapende conflict in Sri Lanka betrokken: Sri Lanka en India. Dit betekent dat, om deze reden, het conflict gezien kan worden als een internationaal gewapend conflict.
10.4.2.3.3. Aard van het conflict op Sri Lanka
the significant and continuous military action’ van de interveniërende buitenlandse troepen voldoende was om het gewapende conflict te internationaliseren. Ook andere factoren dienen te worden betrokken bij de beoordeling van de (gewijzigde) aard van het conflict na interventie van een andere staat, zoals de omvang en duur van een buitenlandse militaire interventie, de rechtstreekse deelname van de buitenlandse staat aan de vijandelijkheden, de aard van de staat en de bij het conflict betrokken politieke entiteiten en hun erkenning door andere staten.
de jureniet bestaat. De door de verdediging van de verdachte [S. R.] – onvolledig – geciteerde passage uit de uitspraak van het Internationale Hof van Justitie in de Nicaragua-zaak uit 1986 die steun zou bieden aan een dergelijke categorisering wordt bovendien uit zijn verband gerukt nu paragraaf 219 van het desbetreffende arrest niet louter betrekking heeft op de Nicaraguaanse
contra ’s, maar eveneens betrekking heeft op de inmenging van de Verenigde Staten van Amerika in het conflict.
mixed character’ zouden zijn, met name zien op situaties waarbij sprake is van oorlogvoerende bezetting, waar in casu geen sprake van is, zodat ook om die reden het standpunt van de verdediging dient te worden verworpen. Ook overigens acht het hof geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die aan het verdedigingsstandpunt steun bieden.
de jureniet bestaat”, had, denk ik, beter in de pen kunnen blijven. [80]
de facto(cursivering van mij, AG) twee Staten met hun ‘armed forces’ betrokken waren als strijdende partij” kwalificeert het op zichzelf nog niet als een internationaal gewapend conflict (zie hierna).
tussende soevereine staten India en Sri Lanka of tussen India dan wel Sri Lanka en welke andere staat dan ook anders dan de LTTE als
de factostaat (Japan is nog even genoemd door de verdediging). Het hof heeft het verweer dan ook terecht verworpen, wat er zij van de daaraan gegeven motivering.
de factostaat was, bevat de toelichting op het middel de klacht dat het hof heeft vastgesteld dat de LTTE een
de factostaat vormde maar niet heeft gemotiveerd waarom die vaststelling “er niet toe leidt dat sprake is geweest van een internationaal gewapend conflict”. Het hof zou hebben vastgesteld dat de LTTE een
de factostaat was in de volgende overweging:
de factostaat was – ondeugdelijk is en om die reden geen bespreking behoeft, nu (i) het hof in het weergegeven citaat niet heeft geoordeeld dat de LTTE een
de factostaat was en (ii) zij tegenstrijdig is met de motiveringsklacht dat het hof niet zou hebben gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat de LTTE een
de factostaat was.
nietheeft overwogen dat de LTTE een
de factostaat was, maar slechts dat de LTTE “alle kenmerken had van een staat, behoudens een internationale erkenning als zodanig”. Daarmee is dus niet voldaan aan “de essentialia” die aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt ten grondslag zijn gelegd. Daaronder is namelijk als vierde criterium aangegeven “capacity to enter into relations with other States”. Daargelaten of dit een constituerende of een declaratoire voorwaarde is, [87] heeft het hof daarmee aangegeven dat en waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt. Dat heeft het hof bovendien ook nog gedaan met zijn vaststelling dat de LTTE geen geldige verklaring heeft afgelegd als bedoeld in art. 96, derde lid, Aanvullend Protocol I. Ik noem dit punt omdat het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt is gebaseerd op de stelling dat de LTTE met haar verklaring voldeed aan het vierde criterium.
de factostaat wordt aangeduid, is te vinden in “Kern van het Internationaal publiekrecht” van Nollkaemper, met dien verstande dat hij deze kwalificeert als een
de facto-regime. Ik citeer zijn beschouwingen enigszins uitgebreid omdat daarin wordt stilgestaan bij de betekenis van
de facto-regimes in het kader van een gewapend conflict en dit in zoverre van belang is voor de beoordeling van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging:
de factostaat niet worden overschat.
de factostaat nog niet meebrengt dat het gewapend conflict een “internationaal” karakter krijgt. Daarvoor is vereist dat de strijdende partij krachtens het volkenrecht als “staat” wordt aangemerkt en aldus in zoverre een staat “is”. Zo lees ik ook het ICRC commentaar bij art. 43 Aanvullend Pro Protocol I dat betrekking heeft op de combattantenstatus en de daaraan inherente band met een staat. Het commentaar ziet op de verwijzing in art. 43 naar Pro “Party to a conflict”, in het commentaar als “clausule” betiteld:
de factostaat’ nog niet betekent dat het om een internationaal gewapend conflict gaat. Indien de partij bij het conflict niet is een partij waarop art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I betrekking heeft, moet het – zo blijkt uit voormeld commentaar – deel uitmaken van de gewapende strijdmacht van een staat of daaraan gelieerd zijn zoals de milities of vrijwilligerscorpsen et cetera als bedoeld in art. 4 onder Pro A sub (2) van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen. [91]
de factostaat’ niet impliceert dat het conflict moet worden aangemerkt als een internationaal gewapend conflict. Gemeenschappelijk artikel 3 ziet Pro op gewapende conflicten “not of an international character”. In het ICRC commentaar wordt de vraag opgeworpen wat bedoeld wordt met een gewapend conflict van een niet-internationaal karakter. Vier voorwaarden worden aangehaald die tijdens de diplomatieke conferentie naar voren zijn gebracht om te kunnen bepalen of een gewapend conflict een niet-internationaal karakter heeft. Geen van die voorwaarden is uiteindelijk in de verdragen opgenomen, maar Siordet noemt deze in het commentaar “convenient criteria”. [92] De vierde voorwaarde houdt het volgende in:
de factostaat’, is dat dus niet zozeer een aanwijzing dat het gewapende conflict een internationaal karakter heeft, maar eerder een aanwijzing dat het een niet-internationaal gewapend conflict betreft waarop gemeenschappelijk artikel 3 ziet Pro.
de jurestaat, kan het gewapende conflict niet als internationaal worden gekwalificeerd door de omstandigheid dat de strijdende partij een
de factostaat zou zijn. Voor zo’n situatie is de regeling van toepassing die is gegeven in art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I, die al een verruiming is van de regeling in gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Verdragen van Genève 1949. De regeling van art. 1, vierde lid, Aanvullend Protocol I is limitatief. [95] Zimmerman schrijft in het ICRC commentaar: “It does not include cases in which, without one of these elements, a people takes up arms against authorities which it contests, as such a situation is not considered to be international.” [96] Aan het limitatieve karakter zou afbreuk worden gedaan indien met een internationaal gewapend conflict ook de situatie gelijk wordt gesteld waarin een gewapend conflict bestaat tussen een staat en een organisatie die stelt als
de factostaat te moeten worden aangemerkt. In die zin versta ik ook de opmerking in de Memorie van Toelichting bij het Belgische wetsontwerp tot goedkeuring van de Aanvullende Protocollen dat de uitbreiding in art. 1, vierde lid, “slechts slaat op bepaalde types van conflicten die aan de restrictieve bepalingen van artikel I, § 4 en artikel 96, § 3, van het eerste Protocol zouden beantwoorden. Zo aan deze voorwaarden niet is voldaan zal het conflict slechts als niet-internationaal kunnen beschouwd worden, ook al heeft een Partij bij het conflict zich de benaming ‘bevrijdingsleger’ toegeëigend.” [97] Even verderop zegt die Memorie van Toelichting:
de factostaat zou moeten worden aangemerkt en dat op die grond sprake is van een internationaal gewapend conflict slechts worden verworpen.
de factostaat gewikkeld was in een gewapend conflict met Sri Lanka. De regelingen waarin Aanvullend Protocol I voorziet, op grond waarvan gewapende conflicten die voorheen als een niet-internationaal gewapend conflict werden getypeerd alsnog worden gekwalificeerd als een internationaal gewapend conflict, zijn niet van toepassing omdat Sri Lanka geen partij is bij het Aanvullend Protocol I, zoals het hof terecht heeft vastgesteld. [99]
het tweede middel
niet-internationaalgewapend conflict. Daarin verschillen ze van het eerste middel in de onderhavige zaak dat aansluit bij het eerste middel dat is voorgesteld in de samenhangende zaken [R. S.] en [T. E.] . Die drie middelen richten zich immers op de bijzondere positie van leden van een strijdmacht in een
internationaalgewapend conflict. Bij de bespreking van die drie middelen is de (echte) combattantenstatus in dat verband betrokken. Het begrip ‘combattant’ heb ik in verband met gewapende conflicten van een
niet-internationaalgewapend karakter hier en hieronder tussen enkelvoudige aanhalingstekens geplaatst omdat beide elkaar
de jureuitsluiten. In het navolgende zal dat blijken zodat goed beschouwd sprake is van oneigenlijk gebruik van het begrip combattant in het kader van
niet-internationaalgewapende conflicten. Voor nu volsta ik met een korte verwijzing naar het grootse onderzoek naar internationaal humanitair gewoonterecht, dat onder auspiciën van het ICRC Is uitgevoerd:
nietbeperkt doordat de wetgever bij het vestigen van rechtsmacht niet volledig zou hebben aangesloten bij de internationale verplichtingen die daarmee zouden worden uitgevoerd. Deze vaststelling kan worden gestaafd aan de hand van de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 8 juli 2008 betreffende Afghaanse oorlogsmisdrijven. [106] De zaak had betrekking op een voormalig hoofd van de Afghaanse veiligheidsdienst, die ervan werd verdacht in Afghanistan gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Verdragen van Genève 1949 te hebben geschonden. De universele rechtsmacht van de Nederlandse rechter berustte destijds op art. 1 in Pro verbinding met de artikelen 3 en 8 Wet oorlogsstrafrecht (WOS). Uit de parlementaire voorbereiding van de WOS bleek dat daarmee uitvoering werd gegeven aan de verplichtingen om in universele rechtsmacht te voorzien waartoe Nederland zich had verplicht door partij te worden bij die verdragen. De Verdragen van Genève 1949 verplichten echter alleen tot het vestigen van universele rechtsmacht inzake de zogenoemde “grave breaches” op deze verdragen en niet voor inbreuken op gemeenschappelijk artikel 3. Ter terechtzitting van het hof en in cassatie werd in de zaak van het voormalig hoofd van de Afghaanse veiligheidsdienst aangevoerd dat het volkenrechtelijk mandaat ontbrak dat vereist zou zijn voor de universele rechtsmacht die in de WOS was gevestigd inzake gemeenschappelijk artikel 3, waarvoor de verdachte in Nederland werd vervolgd. De Hoge Raad verwierp de daartegen gerichte klacht en overwoog het volgende:
niet-internationaalgewapend karakter, het ‘recht’ is toegekend aan de vijandelijkheden deel te nemen. In het bijzonder niet in Aanvullend Protocol II bij de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van slachtoffers van niet-internationale gewapende conflicten (hierna: Aanvullend Protocol II). [107] In zoverre kan ter zijde worden opgemerkt dat Sri Lanka (ook) geen partij is bij dit Aanvullend Protocol II.
De Titel I van het P II en het art. 3 van Pro de Conventies van Genève vertonen een aantal gemeenschappelijke kenmerken:
[…]
[…]
internationaalgewapend conflict en uitgesloten voor degenen die bij een niet-internationaal gewapend conflict betrokken zijn. Bij gebrek aan een combattanten-status kunnen de leden van een gewapende oppositiegroep op grond van het nationale recht worden vervolgd, meer in het bijzonder wegens het opnemen van de wapens en elk ander feit dat in het kader daarvan wordt gepleegd
ongeachtof het feit rechtmatig was krachtens internationaal humanitair recht, aldus Sivakumaran
Challenges for IHL-terrorism: overview”– het onderscheid wordt benadrukt tussen IHL en terrorismeregelgeving:
Interpretive Guidance on the Notion of Direct Participation in Hostilities under International Humanitarian Law. Onder “armed forces of a non-State party to the conflict” verstaat hij “individuals whose continuous function is to take a direct part in hostilities”. Dat criterium dient er echter enkel toe om een onderscheid te kunnen maken tussen burgers enerzijds en gewapende oppositiegroepen anderzijds opdat de staat niet alle burgers die tegen de staat strijden als lid van de gewapende oppositiegroep aanmerkt. [122] Ook Melzer beklemtoont dat het criterium “continuous combat function” geen combattanten-status impliceert. [123]
considerthe granting of amnesties.” [127]
Customary International Humanitarian Law. In de toelichting op het tweede middel in de zaak- [R. S.] (sub 2.6) – en dit geldt eveneens voor de toelichting op het tweede middel in de zaak- [T. E.] – wordt op dit standaardwerk een beroep gedaan ter ondersteuning van de stelling dat voor “zover de gedragingen van de LTTE de drempel van ‘normale krijgshandelingen’ niet overschrijden […] de Nederlandse rechter hier niets mee van doen” heeft. Alleen het nationale strafrecht van Sri Lanka zou mogen worden toegepast omdat Sri Lanka “heeft te gelden als de
betrokkenstaat die uitsluitend de bevoegdheid heeft om strafbare feiten, in casu reguliere krijgshandelingen, begaan door leden van een gewapende oppositionele groep (de LTTE) in verband met een intern gewapend conflict, volgens zijn commune strafrecht te vervolgen en te bestraffen.”
Customary International Humanitarian Law, het volgende in (vanwege het belang ervan haal ik het citaat nog eens aan):
The lawfulness of direct participation in hostilities in non-international
Regina versus Gulvan 23 oktober 2013 waarin het overweegt:
betrokkenstaat om strafbare feiten begaan door leden van een gewapende oppositionele groep tijdens een intern conflict volgens commuun strafrecht te vervolgen en te bestraffen.” Ten aanzien van de onderhavige zaak zou uit het Kesbir-arrest hooguit kunnen volgen dat het commune strafrecht van Sri Lanka op de feiten mag worden toegepast, en niet het Nederlandse commune strafrecht, omdat alleen Sri Lanka als de betrokken staat kan worden aangemerkt. Overigens, ook het eerste middel in de zaak tegen de medeverdachte [J.M. J.] (nr. 15/02147) klaagt dat het hof de uitspraak van de Hoge Raad in de zaak-Kesbir verkeerd heeft geïnterpreteerd. Het hof zou “daaruit ten onrechte de conclusie [hebben] getrokken dat daarin is vastgesteld dat op een intern gewapend conflict elders in de wereld zowel het humanitaire oorlogsrecht als het Nederlandse commune strafrecht (met inbegrip van de bepalingen over terrorisme) van toepassing is.”
10.5. Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding
Kesbirarrest heeft vastgesteld dat tijdens een intern gewapend conflict zowel het humanitaire oorlogsrecht als het commune strafrecht van toepassing is. Het hof stelt bovendien vast dat de Europese rechter van oordeel is dat, kortgezegd, de toepasselijkheid van het internationale humanitaire recht op een situatie van een gewapend conflict en op handelingen die in dat kader zijn verricht, de toepasselijkheid van het Unierecht inzake het terrorisme niet uitsluit. Concluderend stelt het hof vast dat Preambule 11 van het kaderbesluit geen beletsel is om de Nederlandse terrorismewetgeving in deze zaak toe te passen.
niet-internationaalgewapend conflict. Van belang is evenwel de context waarbinnen de verhouding tussen de toepasselijkheid van het commune strafrecht en het internationaal humanitair recht aan de orde kwam: de beoordeling van de voor uitlevering vereiste dubbele strafbaarheid. De voorwaarde van dubbele strafbaarheid brengt mee dat de overwegingen van de Hoge Raad niet alleen betrekking hebben op de toepasselijkheid van het Turkse strafrecht, maar tevens van betekenis zijn voor de strafbaarheid van de feiten naar Nederlands recht. In het Kesbir-arrest heeft de Hoge Raad onder meer het volgende overwogen:
tweede middelin de zaak- [R. S.] (en zo ook in de zaak- [T. E.] ) de klacht dat het hof “het Kaderbesluit in strijd met de bewoordingen ervan [heeft] uitgelegd en de Nederlandse wetgeving in de zaak [heeft] toegepast.” De klacht maakt deel uit van het middel dat inhoudt dat het hof “het verweer inhoudende dat handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht niet als terroristische handelingen dienen te worden beschouwd”. Waarover in die zaken precies wordt geklaagd, is mij niet helemaal duidelijk. Houdt de klacht in dat het hof de feiten niet
bewezenhad mogen verklaren omdat het terroristisch oogmerk ontbreekt, waarop het middel- [R. S.] lijkt te doelen voor zover het inhoudt dat de handelingen “niet als terroristische handelingen dienen te worden beschouwd”? Of kunnen de bewezenverklaarde feiten rechtens niet worden
gekwalificeerdomdat de Nederlandse wetgeving inzake terroristische misdrijven aldus moet worden uitgelegd dat deze geen betrekking heeft op de bewezenverklaarde feiten voor zover deze zijn begaan in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict waarop het IHL van toepassing is?; daarop lijkt de zinsnede “en de Nederlandse wetgeving in de zaak toegepast” te wijzen. De klacht in de toelichting op het middel- [R. S.] ziet op de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet terwijl het middel naar de letter betrekking heeft op de bewezenverklaring.
kwalificatievraag, en wel in die zin dat het hof niet tot kwalificatie van de bewezenverklaarde feiten had mogen komen gelet op de Wet terroristische misdrijven.
bewijskwestieaan de orde.
Preambule Kaderbesluit terrorismebestrijding
en op coalitietroepen in Irak en Afghanistan. M. Gul was veroordeeld voor het verspreiden van terroristische publicaties als bedoeld in sectie 2 Terrorism Act 2006 zoals later aangevuld, door het op YouTube en andere internetadressen plaatsen van video’s. Op deze video’s waren beelden te zien van de hierboven genoemde aanvallen. De rechter instrueerde de jury dat aanvallen op coalitietroepen in Irak en Afghanistan in 2008 en 2009 moeten worden aangemerkt als terrorisme als bedoeld in de Terrorism Act 2000. In hoger beroep kwam de rechtsvraag centraal te staan of die instructie juist was: heeft, krachtens internationaal recht, de definitie van terrorisme naar internationaal gewoonterecht zich zo ontwikkeld dat een aanval door opstandelingen op militaire eenheden van een overheid geen terrorisme is?
Regina versus Gulheeft het Court of Appeal geoordeeld dat er geen regel is van internationaal gewoonterecht die bepaalde aanvallen van gewapende oppositiegroepen op militairen van een overheid, van de definitie van terrorisme uitsluit.
[…]
49. It seems to us, therefore, that there is nothing in international law which would exempt those engaged in attacks on the military during the course of an insurgency from the definition of terrorism.” [146]
eerste middelin de zaak- [J.M. J.] bevat, berusten op twee gedachten. Ten eerste zou het IHL exclusief van toepassing zijn, waardoor hooguit kan worden gesproken van schendingen van IHL, doch niet van terrorisme. Deze veronderstelling is echter onjuist voor zover het schendingen van IHL betreft die plaatsvinden in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict. Hiervoor heb ik betoogd dat en waarom het IHL niet exclusief van toepassing is. Ten tweede zou van terrorisme geen sprake kunnen zijn omdat internationale instrumenten die betrekking hebben op terrorisme, bepalingen bevatten waaruit blijkt dat die instrumenten niet zien op gedragingen die tot IHL worden gerekend. Om deze veronderstelling op haar juistheid te toetsen, zal ik ingaan op de internationale instrumenten waarop ter terechtzitting van het hof door de verdediging en overigens in het eerste middel- [J.M. J.] een beroep is gedaan.
verplichtingendie op de staten rusten. Zo zijn de staten niet
verplichtde terroristische gedragingen toe te passen op situaties waarop IHL van toepassing is. De clausules vormen mijns inziens niet een absoluut plafond dat verdere expansie van de toepasselijkheid van het nationale strafrecht onmogelijk maakt. [156] De verdragen en het Kaderbesluit bevatten verplichtingen om bepaalde gedragingen strafbaar te stellen en daarover rechtsmacht te vestigen ook indien die gedragingen in het buitenland door buitenlanders zijn begaan. Maar geen van de verdragen noch het Kaderbesluit stelt een beperking aan de bevoegdheden die staten dienaangaande hebben. Dit komt duidelijk tot uiting in de bepalingen die in dezelfde internationale instrumenten zijn opgenomen en waarin uitdrukkelijk is bepaald dat de verplichtingen niet afdoen aan het uitoefenen van rechtsmacht overeenkomstig de nationale wetgeving.
het derde middel
Customary International Humanitarian Lawdat onder auspiciën van het ICRC tot stand is gekomen en met betrekking tot de toepasselijkheid van het commune strafrecht tijdens een niet-internationaal gewapend conflict het volgende vaststelt:
personal culpability.Ook bij de strafrechtelijke aansprakelijkheid op basis van toepasselijke deelnemingsvormen die in het internationale strafrecht zijn ontwikkeld, zoals de
joint criminal enterpriseen de begrippen
common purposeen
aiding and abetting,gaat het om het handelen en de persoonlijke betrokkenheid van de verdachte bij het specifieke misdrijf.
het vierde middel
NJ2012/590 (Piranha II):
10.7. De ten laste gelegde deelnemingsvormen
wettelijke vereisten met betrekking tot opzet, oogmerk en deelnemingshandelingen, alsmede op de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van deelnemers aan een criminele organisatie en het vereiste van de zogenoemde dubbele strafbaarheid.
- in de zin van onvoorwaardelijk opzet- dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven. De betrokkene behoeft met andere woorden geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
het vijfde middel
het zesde middel
het zevende middel
het eerste middel
2. De nationale criminele organisatie
[…]
f) dwang (zoals bedoeld in artikel 284 Wetboek Pro van Strafrecht) [zaaksdossier B06] en/of
g) afpersing (zoals bedoeld in artikel 317 Wetboek Pro van Strafrecht) [zaaksdossier B06]”
nietbewezen geacht, en daaromtrent het volgende overwogen [179] :
11.3.3.3. Dwang (Feit 2 sub f)
no pay” of “
negative”.
nietals zelfstandige delicten zijn tenlastegelegd [180] . Tenlastegelegd is hier de deelneming aan een (nationale) criminele organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro [181] , die onder meer tot oogmerk heeft het plegen van dwang (sub f) en afpersing (sub g). Zouden dwang en afpersing, een delict dat als een bijzondere en ernstigere vorm van dwang wordt getypeerd, wel beide afzonderlijk zijn tenlastegelegd, dan zou het verschil in delictsomschrijving en strafbedreiging strafrechtelijk relevant zijn, zowel voor de bewezenverklaring en de kwalificatie, als voor de strafoplegging. Maar deze relevantie is gelet op het onder 2 tenlastegelegde niet aan de orde, nu het er voor de kwalificatie en de strafbedreiging er niet zoveel toe doet of het oogmerk van de nationale criminele organisatie was gericht op dwang en/of afpersing.
het tweede, het derde en het vierde middel
2. De nationale criminele organisatie
12. Beoordeling feiten 5 en 6
11.3.3. Beoordeling met betrekking tot feit 2
“Tamil, staat op om de vijand te verdrijven, om een leger te verzamelen”te horen.
"Er is geen andere weg om te strijden”voorkomt.
"Wij zullen zeker winnen/Dus de leider verwacht nu dat jullie een nog grote bijdrage leveren dan die jullie altijd al leverden/Als jullie ons blijven steunen zullen wij snel een eigen Tamil Eelam krijgen.”
derde middelbevat een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen de vrijspraken van de onder 5 en 6 tenlastegelegde opruiingsdelicten. Het
vierde middelsteunt (grotendeels) op dezelfde gronden als het derde middel, maar richt zijn pijlen op de deelvrijspraken van de onder 2 sub a en b tenlastegelegde opruiingsfeiten. In de toelichting op het vierde middel wordt in belangrijke mate verwezen naar de toelichting op het derde middel.
iskomen vast te staan. In de onderhavige zaak heeft het hof juist feitelijk vastgesteld dat hetgeen ten laste is gelegd,
nietkan worden aangemerkt als opruiing. De internationale verplichtingen om opruiing als
delictstrafbaar te stellen en
dadersvan dit feit te bestraffen, impliceren uiteraard niet dat een ieder die van opruiing wordt
verdachtook strafbaar is en veroordeeld moet worden. Aan de feitelijke vaststelling van het hof dat ten aanzien van de verdachte (en de medeverdachten) van opruiing geen sprake is, doen de door de stellers van de middelen genoemde internationale verplichtingen (vanzelfsprekend) niet af.
Kamerstukken II2002/03, 27 925, 94, p. 7. Dit Kamerstuknummer betreft een brief van de toenmalige minister Donner van Justitie van 24 juni 2003 waarbij deze de notitie “Terrorisme en de bescherming van de samenleving” inbracht. De stellers van de middelen doelen in het bijzonder op de volgende passage daaruit:
tweede middelmet betrekking tot de vrijspraak van feit 5 geklaagd over een onjuiste uitleg door het hof van art. 17 EVRM Pro, dat in de Engelse, authentieke tekst als volgt luidt:
zou zijn aangetast, omdat voor een beroep op art. 17 EVRM Pro afdoende zou zijn dat die uitingen zijn gedaan
met als doelde rechten of enig in het EVRM gegarandeerd recht aan te tasten. Daarop volgt nog: “Het gaat dus wel degelijk om activiteiten die tot doel hebben verdragsrechten teniet te doen, niet alleen om activiteiten die zelf, concreet en daadwerkelijk, verdragsrechten teniet doen.”
het vijfde middel
gesteld(niet: opgelegd, AG) en anderzijds een tweetal resoluties die betrekking hebben op de straf die ter zake van terroristische misdrijven zou moeten worden opgelegd.
gesteld, wordt in de toelichting op het middel een beroep gedaan op (onder meer) de volgende internationale verplichtingen:
Art. 11, eerste lid, Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme:“Each Party shall adopt such measures as may be necessary to make the offences set forth in Articles 5 to 7 and 9 of this Convention punishable by effective, proportionate and dissuasive penalties.” [195]
opgelegd. Deze bronnen zijn:
Par. 2 aanhef en onder e van Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de VN van 28 september 2001:
Par. 3 van Resolutie 1566 (2004) van de Veiligheidsraad van de VN van 8 oktober 2004:
gesteld; er wordt achtereenvolgens gesproken van “make those offences punishable”, “punishable by” en “vrijheidsstraffen te stellen”. Het gaat hier om verplichtingen waaraan de Nederlandse staat gehoor dient te geven en die nader in wetgeving dient te worden verwerkt. In cassatie wordt – en terecht – niet aangevoerd dat de straffen die in de Nederlandse wetgeving op terroristische misdrijven zijn gesteld, niet aan de daarvoor geldende internationale eisen voldoen.